Magnetisme en lorentzkracht (Natuurkunde vwo), les 2: Examentraining

Poollicht boven Flakstad, Lofoten, 2017 (foto: Johannes Groll, CC0)

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Examentraining

Magnetisme en lorentzkracht: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
suivant
Slide 1: Slide
newEditorNatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Examentraining met 4 vraagtypen en 8 vragen in examenstijl: de richting van de lorentzkracht met de rechterhandregel, FL op een stroomdraad, lading en baanstraal, motor en luidspreker. Met stappenplan en tips.

Éléments de cette leçon

Poollicht boven Flakstad, Lofoten, 2017 (foto: Johannes Groll, CC0)

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Examentraining

Magnetisme en lorentzkracht: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Johannes Groll / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Wat ga je kunnen?

Ik kan de richting van de lorentzkracht bepalen en rekenen aan stroomdraden, bewegende ladingen, motor en luidspreker.

Cet élément n'a pas d'instructions

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Teken: zet B, I (of v) en FL in de figuur. Een kruisje is het papier in, een punt het papier uit.

  • 2. Richting: rechterhand: duim I of v, wijsvinger B, middelvinger FL. Elektron: duim tegen v in.

  • 3. Kies: FL = B·I·ℓ of FL = B·q·v; bij een cirkelbaan FL = Fmpz, dus r = m·v/(B·q).

  • 4. Reken: in m, T, A en m/s, met constanten uit je informatieboek en de juiste significante cijfers.

Cet élément n'a pas d'instructions

De rechterhandregel voor de lorentzkracht

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Vraagtype 1: Richting van FL

  • Rechterhand: duim = I of v, wijsvinger = B, middelvinger = FL.

  • Een elektron heeft negatieve lading: de duim wijst tegen v in.

  • Een kruisje is het papier in, een punt het papier uit.

Syllabus D2.4: richting van de lorentzkracht bepalen. Image credit: Eigen figuur

Welke kant op wijst de lorentzkracht op de draad? De stroom gaat het papier in.

A

Naar de bovenkant van de figuur

B

Naar de noordpool aan de linkerkant

C

Naar de onderkant van de figuur

D

Naar de zuidpool aan de rechterkant

B loopt van N (links) naar Z (rechts), dus naar rechts; I gaat het papier in. Duim van je af, wijsvinger naar rechts: middelvinger naar beneden. Controle met vectoren: (het papier in) × (naar rechts) = naar beneden. Fouten: FL langs B tekenen (naar een pool) en omhoog kiezen. Syllabus D2.4. Image credit: Eigen figuur

Naar welke kant buigt het elektron af? Het veld wijst het papier uit.

A

Naar de onderkant van de figuur

B

Naar je toe, uit het papier

C

Naar de bovenkant van de figuur

D

Het gaat rechtdoor, zonder afbuiging

Een positieve lading met v naar rechts en B uit het papier zou naar beneden afbuigen (duim rechts, wijsvinger naar je toe: middelvinger naar beneden). Een elektron is negatief: omgekeerd, dus naar boven. Controle: stroomrichting is naar links, (naar links) × (uit het papier) = naar boven. Fouten: de lading vergeten om te draaien en kiezen voor rechtdoor. Syllabus D2.4. Image credit: Eigen figuur

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Vraagtype 2: FL op een stroomdraad

  • FL = B·I·ℓ, met ℓ in m en B loodrecht op de draad.

  • Herleid: B = FL/(I·ℓ).

  • Evenredigheden: FL is evenredig met B, met I en met ℓ.

Syllabus D2.4: grootte van de lorentzkracht op een stroomdraad; Bijlage 2 voor de eenheden.

Een draad van 0,15 m ligt in een homogeen veld, I = 2,5 A en FL = 0,12 N. Bereken B.

A

0,32 T

B

0,045 T

C

0,80 T

D

3,1 T

B = FL/(I·ℓ) = 0,12 / (2,5 · 0,15) = 0,12 / 0,375 = 0,32 T (controle: 0,32 · 2,5 · 0,15 = 0,12 N). Fouten: vermenigvuldigen in plaats van delen (0,045 T), I vergeten (0,80 T) en de breuk omkeren (3,1 T). Twee significante cijfers. Syllabus D2.4.

Een draad van 8,0 cm ligt loodrecht in B = 0,25 T en ondervindt 0,050 N. Bereken I.

A

0,025 A

B

0,16 A

C

0,40 A

D

2,5 A

I = FL/(B·ℓ) = 0,050 / (0,25 · 0,080) = 0,050 / 0,020 = 2,5 A (controle: FL = 0,25 · 2,5 · 0,080 = 0,050 N). Fouten: ℓ in cm laten staan (0,025 A), I = FL·B/ℓ (0,16 A) en I = B·ℓ/FL (0,40 A). Twee significante cijfers. Syllabus D2.4.

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Vraagtype 3: Lading in een veld

  • FL = B·q·v, met v loodrecht op B.

  • FL = Fmpz geeft r = m·v/(B·q).

  • Constanten e, me en mp staan in je informatieboek.

Syllabus D2.4: lorentzkracht op bewegende lading en de cirkelbaan; Fmpz = m·v²/r uit C3.

Elektron: v = 3,0·10⁶ m/s loodrecht op B = 0,040 T, e = 1,602·10⁻¹⁹ C. Bereken FL.

A

1,2·10⁵ N

B

1,9·10⁻¹⁴ N

C

4,8·10⁻¹³ N

D

1,9·10⁻¹⁷ N

FL = B·q·v = 0,040 · 1,602·10⁻¹⁹ · 3,0·10⁶ = 1,9·10⁻¹⁴ N (controle: 1,602·10⁻¹⁹ · 3,0·10⁶ = 4,806·10⁻¹³, maal 0,040 = 1,92·10⁻¹⁴ N). Fouten: de lading vergeten (1,2·10⁵ N), B vergeten (4,8·10⁻¹³ N) en v in km/s invullen (1,9·10⁻¹⁷ N). Twee significante cijfers. Syllabus D2.4.

Proton: v = 1,0·10⁶ m/s loodrecht op B = 0,50 T, mp = 1,673·10⁻²⁷ kg, e = 1,602·10⁻¹⁹ C. Bereken r.

A

2,1·10⁻² m

B

4,2·10⁻² m

C

2,1·10⁴ m

D

1,1·10⁻⁵ m

r = m·v/(B·q) = 1,673·10⁻²⁷ · 1,0·10⁶ / (0,50 · 1,602·10⁻¹⁹) = 1,673·10⁻²¹ / 8,01·10⁻²⁰ = 2,1·10⁻² m (controle: v = B·q·r/m = 0,50 · 1,602·10⁻¹⁹ · 2,089·10⁻² / 1,673·10⁻²⁷ = 1,0·10⁶ m/s). Fouten: de diameter geven (4,2·10⁻² m), v kwadrateren (2,1·10⁴ m) en de massa van een elektron nemen (1,1·10⁻⁵ m). Syllabus D2.4.

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Vraagtype 4: Motor en luidspreker

  • Motor: tegengestelde FL op de zijden van het raam geven een draaiing.

  • Luidspreker: wisselstroom in de spoel geeft een FL die steeds omkeert.

  • Redeneer steeds vanuit de lorentzkracht op de draad.

Syllabus D2.4: minimaal in de contexten elektromotor en luidspreker.

Een luidsprekerspoel heeft 2,5 m draad in een veld van 0,80 T. Bij I = 0,50 A: FL?

A

0,40 N

B

2,0 N

C

1,0 N

D

4,0 N

FL = B·I·ℓ = 0,80 · 0,50 · 2,5 = 1,0 N, waarbij ℓ de totale lengte draad in het veld is (controle: 0,80 · 0,50 = 0,40; 0,40 · 2,5 = 1,0). Fouten: ℓ vergeten (0,40 N), I vergeten (2,0 N) en delen door I (4,0 N). Twee significante cijfers. Syllabus D2.4, context luidspreker.

Het raam van een motor staat loodrecht op B. Waarom keert de commutator de stroom dan om?

A

Anders loopt de stroom door de magneet

B

Anders remt het draaimoment het raam af

C

Anders wordt de lorentzkracht te groot

D

Anders valt de spanning van de bron weg

In de neutrale stand heeft FL geen draaimoment; daarna zou het draaimoment bij gelijke stroom van richting wisselen en het raam afremmen. Omkeren van de stroom houdt het draaimoment gelijk gericht. Fouten: stroom door de magneet, FL te groot en spanning wegvallen. Syllabus D2.4, context elektromotor.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Richting van de lorentzkracht

2

FL op een stroomdraad

3

Lading en baanstraal

4

Motor en luidspreker

Bespreek het onderdeel met de meeste stemmen: teken er een voorbeeld van op het bord met kruisjes en punten.

EXAMENSTOF · D2 · MAGNETISME

Tips voor op het examen

  • Teken altijd eerst B, I of v en FL in de figuur, voor je rekent.

  • Reken cm, mT en km/s eerst om naar m, T en m/s.

  • Bij een elektron is de stroomrichting tegengesteld aan v.

  • Geef je antwoord met evenveel significante cijfers als het minst nauwkeurige gegeven.

Cet élément n'a pas d'instructions