Oplossingen van kobaltverbindingen: roze, blauw en groen (publiek domein)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT
Quiz
Terugblik: Chemisch evenwicht
Oplossingen van kobaltverbindingen: roze, blauw en groen (publiek domein)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT
Quiz
Terugblik: Chemisch evenwicht
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Chemicalinterest / Wikimedia Commons, publiek domein
In een vat is [N₂O₄] constant geworden, maar er is nog N₂O₄ en NO₂. Wat geldt?
[N₂O₄] = [NO₂]
K = 1
Heen- en terugreactie zijn gestopt
Q = K
Syllabus R4.1, R&A1.6. In evenwicht is Q gelijk aan K; de concentraties hoeven niet gelijk te zijn en K hoeft niet 1 te zijn. Verwachte fout: 'gelijk aan elkaar' kiezen.
Welke Q hoort bij CaCO₃(s) ⇌ CaO(s) + CO₂(g)?
[CaO][CO₂] / [CaCO₃]
[CO₂]
[CO₂] / [CaCO₃]
[CaO][CO₂]
Syllabus R&A1.6. Nagerekend: Ca 1, C 1, O 3 = 1 + 2, klopt. Alleen CO₂(g) staat in Q; de twee vaste stoffen niet. Verwachte fout: de vaste stoffen toch in de breuk zetten.
Vul in
Als de temperatuur verandert, verandert K; als een concentratie verandert, verandert Q en blijft K gelijk.
Syllabus R4.2. Gaten: temperatuur, K, Q. Verwachte fout: 'katalysator' kiezen; die verandert K niet.
Welke vergelijking beschrijft een aflopende reactie?
N₂ + 3 H₂ ⇌ 2 NH₃
CH₃COOH + C₂H₅OH ⇌ CH₃COOC₂H₅ + H₂O
2 Mg + O₂ → 2 MgO
CaCO₃ + CO₂ + H₂O ⇌ Ca²⁺ + 2 HCO₃⁻
Syllabus R4.1: aflopende reactie, omkeerbare reactie. Nagerekend: Mg 2 = 2, O 2 = 2, klopt. Een aflopende reactie schrijf je met →, een omkeerbare reactie met ⇌. Verwachte fout: denken dat een reactie met een vaste stof altijd ⇌ is.
H₂ + I₂ ⇌ 2 HI, K = 50. [H₂] = [I₂] = 0,20; [HI] = 0,80 mol/L. Wat verloopt?
De heenreactie, want Q = 16 is kleiner dan K
De terugreactie, want Q = 16 is groter dan K
De heenreactie, want Q = 20 is kleiner dan K
De terugreactie, want Q = 20 is groter dan K
Syllabus R&A1.6, R4.2. Nagerekend: H 2 = 2, I 2 = 2, klopt. Q = [HI]² / ([H₂][I₂]) = (0,80)² / (0,20 × 0,20) = 0,64 / 0,040 = 16; 16 < 50, dus de heenreactie verloopt. Zonder kwadraat geeft 0,80 / 0,040 = 20. Verwachte fouten: de macht 2 vergeten, de richting omdraaien. K is een gegeven.
Bij CH₃COOH + C₂H₅OH ⇌ CH₃COOC₂H₅ + H₂O wordt water toegevoegd. Wat volgt?
Q wordt kleiner dan K, dus meer ester
Q wordt groter dan K, dus minder ester
Q wordt groter dan K, dus meer ester
K wordt kleiner, dus minder ester
Syllabus R4.2. Nagerekend: C 4, H 10, O 3 links; C 4, H 8 + 2 = 10, O 2 + 1 = 3 rechts. Mengsel van zuur en alcohol zonder oplosmiddel: water is een product en staat in de teller van Q. Meer water geeft Q > K, dus de terugreactie (esterhydrolyse) verloopt en er komt minder ester. K verandert niet. Verwachte fout: K laten veranderen of denken dat water als oplosmiddel geen invloed heeft.
Bij N₂O₄(g) ⇌ 2 NO₂(g) in evenwicht wordt het volume verdubbeld. Wat gebeurt er?
Q wordt groter dan K, dus meer N₂O₄
Q wordt groter dan K, dus meer NO₂
Q blijft gelijk aan K, er gebeurt niets
Q wordt kleiner dan K, dus meer NO₂
Syllabus R4.2. Nagerekend: Q = [NO₂]² / [N₂O₄]. Het volume wordt 2 keer zo groot, dus elke concentratie wordt 2 keer zo klein: Q wordt (1/2)² / (1/2) = 1/2 van de oude waarde. Q < K, dus de heenreactie verloopt en er ontstaat meer NO₂. Verwachte fout: Q laten gelijk blijven omdat de verhouding gelijk lijkt.
A ⇌ B heeft K = 2,0 bij 300 K en K = 0,50 bij 400 K. Wat klopt?
Bij 400 K is er in evenwicht relatief meer A
Bij 400 K is er in evenwicht relatief meer B
Bij 300 K is er in evenwicht relatief meer A
Bij beide temperaturen is er evenveel B als A
Syllabus R4.2, R4.3 (ligging). Nagerekend: K = [B]/[A]: bij 300 K is [B] = 2,0 × [A], bij 400 K is [B] = 0,50 × [A]. Dus bij 400 K ligt het evenwicht verder naar links. Verwachte fout: K kleiner lezen als 'meer producten'.
Twee proeven bereiken dezelfde eind-[NH₃], proef 2 is sneller. Wat is het verschil?
In proef 2 is K groter
In proef 2 is de temperatuur lager
In proef 2 is een katalysator gebruikt
In proef 2 is de ligging verschoven
Syllabus R4.3. Dezelfde eindwaarde betekent dezelfde ligging en dus dezelfde K; een kortere insteltijd past bij een katalysator. Verwachte fout: 'K groter' kiezen omdat het sneller gaat; K bepaalt niet hoe snel.
Geef K: Ag⁺(aq) + Cl⁻(aq) ⇌ AgCl(s)
Goed antwoord: K = 1 / ([Ag⁺][Cl⁻]). Nagerekend: Ag 1 = 1, Cl 1 = 1, lading 1+ + 1− = 0 = 0, klopt. De vaste stof AgCl staat niet in Q. Omdat die rechts staat, staan Ag⁺ en Cl⁻ in de noemer en is de teller 1. Verwachte fout: [AgCl] in de teller. Het oplosbaarheidsproduct Ks komt in een ander onderwerp. Syllabus R&A1.6.
Een reactie heeft K = 1,0·10⁻⁸. Wat zegt dat over de ligging?
Het evenwicht ligt ver aan de kant van de producten
Het evenwicht ligt precies in het midden
Het evenwicht ligt ver aan de kant van de beginstoffen
De reactie is aflopend en verloopt volledig
Syllabus R4.3 (ligging). Een zeer kleine K betekent in evenwicht zeer weinig producten ten opzichte van beginstoffen. Verwachte fout: kleine K lezen als 'snelle reactie' of 'veel producten'. K zegt niets over de snelheid.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT
Goed gedaan!
Je kunt nu een omkeerbare reactie en een dynamisch evenwicht herkennen, Q en de evenwichtsvoorwaarde opstellen, een verschuiving verklaren met Q en K en de rol van temperatuur en katalysator toelichten. Zoek de vragen die je fout had op in les 1.
Cet élément n'a pas d'instructions