Koopgedrag en slim kiezen (Economie vmbo), les 3: Terugblik quiz

CONSUMPTIE · KOOPGEDRAG

Quiz

Terugblik: Koopgedrag en slim kiezen

1 / 14
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 14 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met elf vragen over koopgedrag, merken, reclame, marketingmix, e-commerce en gevolgen voor vmbo-leerlingen.

Éléments de cette leçon

CONSUMPTIE · KOOPGEDRAG

Quiz

Terugblik: Koopgedrag en slim kiezen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

Mila krijgt minder zakgeld en koopt goedkopere kleding. Welke factor?

A

Een nieuwe trend

B

Reclame op tv

C

Haar budget

D

Haar leeftijd

Minder geld beschikbaar: het budget.

Vul in

Beïnvloeding door bedrijven, bijvoorbeeld met reclame, heet commerciële beïnvloeding. Beïnvloeding door vrienden of klas heet sociale beïnvloeding, en die kan sterk zijn.

commerciële beïnvloeding
sociale beïnvloeding
productveroudering
merkreclame

Commercieel komt van een bedrijf, sociaal van mensen om je heen.

Wat is een kenmerk van een A-merk?

A

Een merk van de winkel zelf, vaak goedkoper

B

Een onbekend merk, vaak goedkoper

C

Een bekend merk met veel reclame, vaak duurder

D

Een merk dat de overheid controleert

A-merk: bekend, veel reclame, hogere prijs. Huismerk: van de winkel. B-merk: minder bekend.

Je telefoon werkt nog, maar er is al een beter model. Welk begrip past?

A

Productveroudering

B

Een huismerk

C

Ideële reclame

D

Allocatieve werking

Snel ouderwets door nieuwe modellen: productveroudering.

Vul in

De marketingmix bestaat uit productbeleid, prijsbeleid, plaatsbeleid, promotiebeleid, personeelsbeleid en presentatiebeleid.

marketingmix
promotiebeleid
merkbeleid
reclamebeleid

De zes onderdelen samen heten marketingmix. Reclame en acties vormen het promotiebeleid.

Waar vind je productinformatie?

A

Bij vrienden in je klas

B

In een spotje met alleen een liedje

C

Op de kassabon van de buren

D

Op de verpakking en in de gebruiksaanwijzing

Productinformatie staat op de verpakking, in de gebruiksaanwijzing en op websites voor consumenten.

Wat is een voordeel van e-commerce voor consumenten?

A

Je kunt het product eerst vastpakken

B

Altijd en overal bestellen en prijzen vergelijken

C

Er zijn nooit verzendkosten

D

Je hebt het product direct in je handen

Bestellen kan altijd en overal. Je pakt het product pas thuis vast en soms betaal je verzendkosten.

Spel in winkel A: 40 euro. Webshop B: 36 euro plus 5 euro verzendkosten. Wat is goedkoper?

A

Winkel A: 40 euro tegen 41 euro

B

Webshop B, want 36 is minder dan 40

C

Webshop B, want verzenden is maar 5 euro

D

Ze kosten precies evenveel

Webshop B: 36 + 5 = 41 euro. Winkel A kost 40 euro en is dus goedkoper.

Meer mensen kopen duurzame kleding, dus er wordt meer gemaakt. Welk begrip?

A

Productveroudering

B

Merkreclame

C

Allocatieve werking

D

Een huismerk

Bestedingen bepalen mede wat er wordt gemaakt: allocatieve werking. Alleen KB en GL/TL.

Hoe kan een aankoop het milieu schaden?

Goed antwoord: bijvoorbeeld afval, vervuiling of veel energie bij het maken. Verwachte fout: alleen het budget noemen.

Kinderen maken kleding in een ontwikkelingsland. Over welk gevolg gaat dit?

A

Een gevolg voor het eigen budget

B

Een gevolg voor ontwikkelingslanden

C

Een gevolg voor de marketingmix

D

Een gevolg voor de openingstijden

Kinderarbeid is een voorbeeld van een gevolg voor ontwikkelingslanden.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

CONSUMPTIE · KOOPGEDRAG

Goed gedaan!

Je weet nu wat je koopgedrag beïnvloedt, hoe bedrijven verkopen en hoe je slim en bewust kiest.

Cet élément n'a pas d'instructions