Exogene processen en gesteenten (Aardrijkskunde havo), les 2: Examentraining

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Examentraining

Exogene processen en gesteenten: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
suivant
Slide 1: Slide
newEditorAardrijkskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Examentraining: landschapsvormen koppelen aan processen, verwering en klimaat vergelijken, kringlopen verbinden en gesteenten herkennen.

Éléments de cette leçon

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Examentraining

Exogene processen en gesteenten: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Wilson44691 / Wikimedia Commons, CC0

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen beantwoorden over landschapsvormen, verwering en klimaat, kringlopen en gesteenten.

Cet élément n'a pas d'instructions

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is het vraagwoord? Beschrijf, leg uit, vergelijk of beredeneer.

  • 2. Zoek: kijk in de bron naar klimaat, helling, korrelgrootte, gelaagdheid of kristallen.

  • 3. Verbind: kenmerk, proces en landschapsvorm, bijvoorbeeld afremmen, sedimentatie, delta.

  • 4. Schrijf: een ketting met doordat en daardoor, en noem gegevens uit de bron.

Cet élément n'a pas d'instructions

Een zijmorene langs de Athabascagletsjer, Canada

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 1: landschapsvorm en proces

  • Je krijgt een foto, kaart of beschrijving van een landschapsvorm en moet het proces noemen of uitleggen.

  • Kijk naar de plek: aan de voet van een gebergte, bij een riviermonding of langs een gletsjer?

  • Kijk naar het materiaal: gesorteerd wijst op water of wind, ongesorteerd op ijs of massabeweging.

  • Leg de ketting uit: stroomsnelheid neemt af, materiaal wordt afgezet, vorm ontstaat.

Syllabuswerkwijze: relateren van landschapsvormen aan de werking van exogene processen, en kenmerken van landschapsvormen aan de ontstaanswijze. De foto toont een zijmorene langs de Athabascagletsjer: vraag hoe je aan het materiaal ziet dat hier ijs aan het werk was. Veelgemaakte fout: alleen de naam van de vorm geven zonder het proces uit te leggen. Image credit: ImagePerson / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

Aan de voet van een woestijngebergte ligt een waaier van puin. Hoe komt dat?

A

Een gletsjer smelt aan de voet van het gebergte

B

Een beek remt af waar het dal op de vlakte uitkomt

C

De wind blaast puin tegen de berghelling op

D

Een rivier mondt daar uit in een meer

Goed: een puinwaaier. Na een bui stroomt het water snel door het smalle dal; op de vlakte verbreedt het zich, remt af en laat het puin vallen. Wie de rivier en het meer kiest, beschrijft een delta.

Aan de top van een puinwaaier ligt grof puin, aan de rand zand. Verklaar.

Goed: bij de top stroomt het water nog snel en zet het alleen het grove puin af; verder op de waaier neemt de stroomsnelheid steeds meer af; daardoor wordt het fijnere materiaal pas aan de rand afgezet. Verwachte fout: zeggen dat grof materiaal zwaarder is zonder de stroomsnelheid te noemen.

Een steen die door vorstverwering in stukken is gebarsten, Zuid-IJsland

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 2: verwering en klimaat vergelijken

  • Je krijgt twee gebieden of klimatogrammen en moet de verweringsvorm vergelijken of verklaren.

  • Warm en nat: vooral chemisch. Vorst en dooi, of droog met grote temperatuurverschillen: vooral mechanisch.

  • Kijk in het klimatogram naar de temperatuur rond het vriespunt en naar de hoeveelheid neerslag.

  • Noem bij vergelijken beide gebieden en gebruik een woord als terwijl of daarentegen.

Syllabuswerkwijze: vergelijken van de werking van exogene processen en de daarbij ontstane landschapsvormen. Aandachtspunt syllabus: het klimaat bepaalt hoofdzakelijk welke verweringsvorm overheerst. Veelgemaakte fout: bij vergelijken maar één gebied beschrijven. Image credit: Till Niermann / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Gebied A: rond 0 °C met veel vorst en dooi. B: 27 °C en veel regen. Wat klopt?

A

A vooral chemisch, B vooral mechanisch

B

A en B allebei vooral mechanisch

C

A en B allebei vooral chemisch

D

A vooral mechanisch, B vooral chemisch

Goed: in A werkt vorstverwering (mechanisch); in B versnellen warmte en water de chemische verwering. Verwachte fout: omdraaien, omdat een leerling denkt dat regen vooral kapot slaat.

Leg uit waarom in de Sahara vooral mechanische verwering plaatsvindt.

Goed: overdag is het heel heet en 's nachts koud; het gesteente zet uit en krimpt steeds; daardoor ontstaan barsten en valt het uiteen. Er is weinig water, dus chemische verwering gaat langzaam. Verwachte fout: alleen 'het is er heet' zonder het temperatuurverschil en het gebrek aan water.

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 3: kringlopen aan elkaar relateren

  • Je krijgt een schema of tekst en moet de gesteentekringloop en de hydrologische kringloop verbinden.

  • Water uit de hydrologische kringloop zorgt voor verwering, erosie en transport.

  • Het sediment dat zo ontstaat, wordt afgezet en later sedimentgesteente: een stap in de gesteentekringloop.

  • Zeg bij elke stap of hij endogeen of exogeen is, en of hij reliëf opbouwt of afbreekt.

Syllabuswerkwijze: relateren van de gesteente- en de hydrologische kringloop aan elkaar, en relaties leggen tussen de kringlopen. Laat leerlingen beide kringlopen naast elkaar tekenen en pijlen trekken waar ze elkaar raken: neerslag en afstroming bij verwering en erosie, zee als plek van sedimentatie. Veelgemaakte fout: de hydrologische kringloop alleen als weer uitleggen, zonder de rol in de afbraak van gesteente.

Welke stap van de gesteentekringloop is een endogeen proces?

A

Regenwater lost kalksteen langzaam op

B

Een rivier zet zand af in een delta

C

Een gletsjer voert puin mee naar het dal

D

Gesteente verandert onder hoge druk in marmer

Goed: metamorfose gebeurt diep in de korst door druk en temperatuur, dus endogeen. De andere drie zijn exogeen en worden aangedreven door de hydrologische kringloop. Verwachte fout: oplossen van kalksteen kiezen omdat het een chemisch proces is.

Beschrijf de rol van de hydrologische kringloop bij het ontstaan van zandsteen.

Goed: neerslag en vorst laten gesteente verweren; afstromend water voert de korrels af (erosie en transport); in zee of een delta remt het water af en zet zand af (sedimentatie); het zand wordt bedekt, samengeperst en verkit tot zandsteen. Verwachte fout: alleen 'regen' noemen zonder de keten tot aan de sedimentatie.

Een marmergroeve bij Carrara, Italië

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 4: gesteenten herkennen

  • Je krijgt een foto of beschrijving van een gesteente en moet de soort noemen en het ontstaan uitleggen.

  • Grote kristallen: graniet, langzaam gestold. Donker en fijn: basalt, snel gestold.

  • Lagen of fossielen: sedimentgesteente, zoals zandsteen of kalksteen.

  • Wit en kristallijn zonder fossielen: marmer. Dunne platen: leisteen. Beide metamorf.

Syllabus 7a.3: herkennen aan kleur, kristallen, gelaagdheid en fossielen. De foto toont een marmergroeve bij Carrara in Italië: marmer ontstaat uit kalksteen onder hoge druk en temperatuur. Veelgemaakte fout: alleen de soort noemen, terwijl de vraag ook naar het kenmerk vraagt waaraan je het herkent. Image credit: Wittylama / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een licht gesteente met grote kristallen van verschillende kleur. Wat is het?

A

Basalt, snel gestold aan het oppervlak

B

Graniet, langzaam gestold diep in de korst

C

Zandsteen, afgezet in lagen door water

D

Leisteen, ontstaan uit klei onder druk

Goed: graniet. Grote kristallen betekenen langzaam afkoelen, diep onder de grond. Basalt is donker en fijnkorrelig. Verwachte fout: basalt kiezen omdat het ook een stollingsgesteente is.

In de Alpen ligt kalksteen met fossielen van zeedieren. Verklaar dit.

Goed: de kalksteen is ontstaan in zee uit resten van schelpen en andere zeedieren (sedimentatie); later is het gesteente door plaatbewegingen (endogeen) omhoog gekomen en opgeheven tot gebergte. Verwachte fout: alleen zeggen dat er vroeger zee was, zonder de opheffing te noemen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Landschapsvorm en proces

2

Verwering en klimaat

3

Kringlopen verbinden

4

Gesteenten herkennen

Cet élément n'a pas d'instructions

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Tips voor op het examen

  • Maak verschil tussen verwering (op de plek) en erosie (wegvoeren).

  • Noem bij sediment altijd de stroomsnelheid: die verklaart de korrelgrootte.

  • Gesorteerd wijst op water of wind, ongesorteerd op ijs of massabeweging.

  • Koppel verwering aan het klimaat: warm en nat chemisch, vorst of droogte mechanisch.

  • Bij gesteenten: noem de soort én het kenmerk waaraan je hem herkent.

Cet élément n'a pas d'instructions