Zenuwstelsel, reflexen en gedrag (Biologie vmbo), les 1: Uitleg

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Zenuwstelsel, reflexen en gedrag

Examenstof biologie vmbo

1 / 24
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 24 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Uitleg over het centraal zenuwstelsel (grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg), de bouw van een zenuwcel, reflexen en gedrag. Met schema's van de terugtrek- en kniepeesreflex. Zes controlevragen, een poll en een open reflectievraag. KB/GT: ook soorten zenuwcellen en zenuwen, terugtrek-, strek-, kniepees- en pupilreflex, gedrag, prikkels en bewust gedrag.

Éléments de cette leçon

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Zenuwstelsel, reflexen en gedrag

Examenstof biologie vmbo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/K/11, specificatie 2 (BB, KB, GT) en specificatie 1 en 6 (KB/GT). Image credit: Rapidreflex / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Wat ga je kunnen?

Ik kan de delen van het centraal zenuwstelsel, zenuwcellen, reflexen en gedrag uitleggen.

Cet élément n'a pas d'instructions

Waar denk je aan bij het woord hersenen?

Verwacht: denken, geheugen, bewegen, hoofd, zenuwen, slim, pijn. Koppel de woorden aan de les: grote hersenen (denken en bewust waarnemen), kleine hersenen (bewegingen), hersenstam en ruggenmerg (verbinding en reflexen). Veelgemaakte fout: denken dat de hersenen alleen bij nadenken werken. Ze regelen ook bewegingen en onbewuste reacties.

De hersenen van opzij: grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Het centraal zenuwstelsel

  • Het centraal zenuwstelsel (CZS) bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.

  • De grote hersenen zorgen voor bewustzijn, waarnemen en bewuste bewegingen.

  • De kleine hersenen coördineren je bewegingen, bijvoorbeeld bij fietsen.

  • De hersenstam verbindt de grote hersenen met het ruggenmerg.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (BB, KB, GT): ligging en functie van grote hersenen (bewustzijn, zintuiglijke waarneming en bewuste beweging), kleine hersenen (coördinatie van bewegingen) en hersenstam (verbinding tussen grote hersenen en ruggenmerg). Laat leerlingen de drie delen op het plaatje aanwijzen. De kleine hersenen liggen achteronder, de hersenstam loopt naar beneden over in het ruggenmerg. Veelgemaakte fout: de kleine hersenen en de hersenstam door elkaar halen. Image credit: Eigen labels op een tekening van NIAID, Ryan Kissinger / Wikimedia Commons, publiek domein

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Ruggenmerg en hersenstam

  • Het ruggenmerg verbindt je organen met de hersenen.

  • Een signaal van je lichaam gaat via het ruggenmerg en de hersenstam naar de grote hersenen.

  • Een opdracht om te bewegen gaat de andere kant op, van de hersenen naar je spieren.

  • Het ruggenmerg speelt een rol bij reflexen van je romp en ledematen (armen en benen).

  • De hersenstam speelt een rol bij reflexen in je hoofd en hals.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (BB, KB, GT): ruggenmerg (verbinding van organen met hersenen, rol bij reflexen van romp en ledematen) en hersenstam (rol bij reflexen in hoofd- en halsgebied). Wat een reflex precies is komt in het tweede deel van de uitleg. Veelgemaakte fout: denken dat het ruggenmerg bij de hersenen hoort. Het ruggenmerg en de hersenen vormen samen het CZS.

Een zenuwcel met cellichaam en uitlopers (schema)

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

De zenuwcel

  • Een zenuwcel geeft signalen door aan andere cellen.

  • Een zenuwcel heeft een cellichaam met daarin de celkern.

  • Aan het cellichaam zitten uitlopers: meestal veel korte en één lange.

  • Zo kan een signaal van het ene deel van je lichaam naar het andere deel gaan.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (BB, KB, GT): bouw van een zenuwcel met cellichaam en uitlopers. Het schema is vereenvoudigd: er bestaan veel vormen zenuwcel. Veelgemaakte fout: denken dat een zenuwcel alleen een lange draad is. Het cellichaam met de kern hoort er altijd bij. Image credit: Eigen afbeelding

Je kijkt naar een film en merkt bewust wat je ziet. Welk deel zorgt hiervoor?

A

Kleine hersenen

B

Hersenstam

C

Ruggenmerg

D

Grote hersenen

De grote hersenen zorgen voor bewustzijn en zintuiglijke waarneming. Verwachte fout: de hersenstam kiezen omdat die 'onder de hersenen' ligt. De hersenstam verbindt en regelt reflexen in hoofd en hals.

Uit welke twee delen bestaat het CZS?

Goed: hersenen en ruggenmerg. Verwachte fout: 'hersenen en zenuwen'. De zenuwen lopen van het CZS naar de rest van het lichaam.

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Soorten zenuwcellen

  • Een receptor vangt een prikkel op, bijvoorbeeld een tik, hitte of licht.

  • Een gevoelszenuwcel voert signalen van een receptor naar het CZS.

  • Een bewegingszenuwcel voert signalen van het CZS naar een spier.

  • Een schakelcel ligt in het CZS en verbindt zenuwcellen met elkaar.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (alleen KB/GT): ligging en functies van gevoelszenuwcel, bewegingszenuwcel en schakelcel. BB-leerlingen hoeven de soorten niet te kennen, wel dat een zenuwcel signalen doorgeeft. Een prikkel is een verandering in of buiten het lichaam die een receptor kan opvangen. Veelgemaakte fout: de richting omdraaien. Gevoelszenuwcellen gaan naar het CZS toe, bewegingszenuwcellen van het CZS af.

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Zenuwen

  • Een zenuw is een bundel uitlopers van veel zenuwcellen.

  • Een gevoelszenuw bevat alleen uitlopers van gevoelszenuwcellen.

  • Een bewegingszenuw bevat alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen.

  • Een gemengde zenuw bevat beide soorten uitlopers.

  • De zenuwen tussen het ruggenmerg en je armen en benen zijn gemengde zenuwen.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (alleen KB/GT): gevoelszenuw, bewegingszenuw en gemengde zenuw. Een zenuw is dus iets anders dan een zenuwcel: een zenuw bestaat uit uitlopers van heel veel zenuwcellen. Veelgemaakte fout: 'zenuw' en 'zenuwcel' door elkaar halen.

De terugtrekreflex: van receptor in de huid naar de spier (schema)

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Reflex en terugtrekreflex

  • Een reflex is een vaste, onbewuste reactie op een prikkel.

  • Een reflex gaat snel, zodat je op tijd reageert als je lichaam kan beschadigen.

  • Bij de terugtrekreflex trek je je hand direct terug van iets heets of scherps.

  • De route: gevoelszenuwcel, schakelcel in het ruggenmerg, bewegingszenuwcel, spier.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (BB, KB, GT): reflex als vaste, onbewuste reactie en de functie ervan (snel reageren bij kans op beschadiging, onbewust regelen van motoriek). Alleen KB/GT: de terugtrekreflex en de soorten zenuwcellen in het schema. Via schakelcellen gaat het signaal ook naar de hersenen: daarom voel je de pijn pas net nadat je hand al terug is. Veelgemaakte fout: denken dat de hersenen de reflex bewust aansturen. Image credit: Eigen afbeelding

De kniepeesreflex (schema): geen schakelcel

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Kniepeesreflex

  • Bij de kniepeesreflex tikt een arts met een hamertje op de pees onder je knieschijf.

  • Je bovenbeenspier wordt even uitgerekt en trekt samen: je onderbeen schiet omhoog.

  • De gevoelszenuwcel geeft het signaal direct door aan de bewegingszenuwcel.

  • Bij deze reflex zit dus geen schakelcel.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (alleen KB/GT): kniepeesreflex. Gevoelszenuwcel en bewegingszenuwcel sluiten in het ruggenmerg direct op elkaar aan, anders dan bij de terugtrekreflex. De kniepeesreflex is een voorbeeld van het onbewust regelen van motoriek. Het is een reflex van de ledematen, dus het ruggenmerg speelt een rol. Veelgemaakte fout: ook hier een schakelcel tekenen. Image credit: Eigen afbeelding

De pupil van een oog: klein bij veel licht, groot bij weinig licht

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Strekreflex en pupilreflex

  • Bij de strekreflex trek je een been op van iets scherps. Je andere been strekt, zodat je niet omvalt.

  • Bij de pupilreflex wordt je pupil kleiner in fel licht en groter in weinig licht.

  • De pupilreflex beschermt je oog tegen te veel licht en loopt via de hersenstam.

Syllabus BI/K/11, specificatie 2 (alleen KB/GT): strekreflex en pupilreflex. De strekreflex loopt via het ruggenmerg en gaat samen met een terugtrekreflex van het andere been. De pupilreflex is een reflex in het hoofd en loopt via de hersenstam. De twee ogen op de foto zijn niet van dezelfde opname: kijk alleen naar de grootte van de pupil. Veelgemaakte fout: denken dat je bewust je pupil kleiner maakt. Image credit: Rapidreflex / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0 (samengesteld met eigen labels)

Zet op volgorde, van prikkel tot reactie

1

Receptor in de huid

2

Gevoelszenuwcel

3

Bewegingszenuwcel

4

Schakelcel in het ruggenmerg

5

Spier

Dit is de route bij de terugtrekreflex. Verwachte fout: de schakelcel vergeten of na de bewegingszenuwcel zetten. De schakelcel ligt tussen de twee andere zenuwcellen.

Vul in

Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam met korte en lange uitlopers, die signalen doorgeven.

cellichaam
uitlopers
celkern
receptor

Bouw van een zenuwcel: cellichaam en uitlopers. Verwachte fout: celkern invullen, die zit in het cellichaam maar is niet het hele deel.

Een poes met een gevangen muis

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Gedrag

  • Gedrag is een reeks samenhangende handelingen.

  • Een poes jaagt: ze loert, sluipt, springt en pakt de muis.

  • Elke handeling hoort bij de vorige: het is geen losse reactie.

Syllabus BI/K/11, specificatie 1 (alleen KB/GT): gedrag bij dieren bestaat uit een reeks samenhangende handelingen. Laat leerlingen een eigen voorbeeld geven van een reeks handelingen, zoals een vogel die een nest bouwt. Veelgemaakte fout: gedrag zien als één losse beweging. Image credit: Antabus / Wikimedia Commons, publiek domein

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Inwendige en uitwendige prikkels

  • Gedrag begint met een prikkel: een verandering die je lichaam of een dier waarneemt.

  • Een inwendige prikkel komt uit het lichaam zelf, zoals honger, dorst of vermoeidheid.

  • Een uitwendige prikkel komt uit de omgeving, zoals een geluid, een geur of licht.

  • Gedrag hangt af van inwendige én uitwendige prikkels.

  • Voorbeeld: een poes met honger (inwendig) ruikt een muis (uitwendig) en gaat jagen.

Syllabus BI/K/11, specificatie 1 (alleen KB/GT): gedrag is afhankelijk van inwendige en uitwendige prikkels, uitleggen aan de hand van concrete voorbeelden. Vraag leerlingen bij een eigen voorbeeld beide soorten prikkels te noemen. Veelgemaakte fout: denken dat alleen prikkels van buiten gedrag veroorzaken.

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Bewust gedrag

  • Bij bewust gedrag denk je na en kies je zelf wat je doet.

  • Dit gedrag wordt vanuit je hersenen gestuurd.

  • Een reflex is juist onbewust: die gebeurt zonder dat je erover nadenkt.

  • Voorbeeld: je kiest een liedje uit en zet het aan.

Syllabus BI/K/11, specificatie 6 (alleen KB/GT): bewust gedrag wordt vanuit de hersenen gestuurd. Koppel terug aan de grote hersenen (bewuste beweging) en aan de reflexen uit het vorige deel. Veelgemaakte fout: denken dat alle bewegingen bewust zijn. Reflexen en veel processen in je lichaam gaan zonder nadenken.

Een eekhoorn zoekt een noot, begraaft de noot en dekt de plek af. Wat laat dit zien?

A

Gedrag is één losse reactie op een prikkel

B

Gedrag is een reeks samenhangende handelingen

C

Gedrag is altijd een reflex

D

Gedrag gebeurt altijd bewust

Zoeken, begraven en afdekken horen samen: een reeks handelingen. Verwachte fout: 'altijd een reflex'. Een reflex is één snelle, vaste reactie.

Je besluit om te gaan voetballen. Waar wordt dit gedrag vanuit gestuurd?

A

Vanuit het ruggenmerg

B

Vanuit een reflex

C

Vanuit de hersenen

D

Vanuit de spieren

Een bewust besluit komt uit de hersenen. Verwachte fout: de spieren kiezen, omdat die de beweging uitvoeren. De opdracht komt van de hersenen.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Hersenen en ruggenmerg

2

Zenuwcellen en zenuwen

3

Reflexen

4

Gedrag en prikkels

Gebruik de uitslag om te bepalen welk deel je de volgende les nog eens met een voorbeeld doorloopt.

Wat wil je nog weten over het zenuwstelsel?

Reflectievraag zonder vast goed antwoord. Verzamel de vragen en gebruik ze om de volgende les te beginnen.

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Begrippen (1/2)

  • grote en kleine hersenen: De grote hersenen zorgen voor bewustzijn, waarnemen en bewuste beweging. De kleine hersenen coördineren bewegingen.

  • hersenstam: Verbindt de grote hersenen met het ruggenmerg en speelt een rol bij reflexen in hoofd en hals.

  • ruggenmerg: Verbindt je organen met de hersenen en speelt een rol bij reflexen van romp en ledematen.

  • zenuwcel: Cel die signalen doorgeeft. Heeft een cellichaam met uitlopers.

  • gevoels-, bewegings- en schakelcel: Gevoelszenuwcel: naar het CZS toe. Bewegingszenuwcel: van het CZS naar een spier. Schakelcel: verbindt zenuwcellen in het CZS.

Cet élément n'a pas d'instructions

REAGEREN · ZENUWSTELSEL

Begrippen (2/2)

  • gemengde zenuw: Zenuw met uitlopers van gevoelszenuwcellen en van bewegingszenuwcellen.

  • reflex: Vaste, onbewuste reactie op een prikkel, waardoor je snel reageert.

  • soorten reflexen: Terugtrek-, strek-, kniepees- en pupilreflex.

  • gedrag: Reeks samenhangende handelingen, afhankelijk van prikkels.

  • inwendige en uitwendige prikkel: Inwendig: uit je eigen lichaam, zoals honger. Uitwendig: uit de omgeving, zoals een geluid.

Cet élément n'a pas d'instructions