REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Examentraining
Zenuwstelsel, reflexen en gedrag: zo pak je examenvragen aan
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Examentraining
Zenuwstelsel, reflexen en gedrag: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rapidreflex / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Wat ga je kunnen?
Ik kan delen van de hersenen aanwijzen, een reflexschema lezen en reflexen en prikkels herkennen in een examenvraag.
Cet élément n'a pas d'instructions
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat wordt er gevraagd en over welk deel of welke reflex gaat het?
2. Kijk: bekijk de afbeelding. Waar wijzen de letters en de pijlen naartoe?
3. Denk: welk begrip uit de les past hierbij?
4. Controleer: past je antwoord bij alle gegevens in de vraag?
Cet élément n'a pas d'instructions
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 1: delen van de hersenen aanwijzen
Je krijgt een tekening van de hersenen met letters.
Grote hersenen: de grote, geplooide bovenkant.
Kleine hersenen: achteronder, met veel dunne lijnen.
Hersenstam: de steel die naar beneden loopt.
Examenvraag met afbeelding: een deel van het zenuwstelsel aanwijzen. Laat leerlingen eerst de vorm benoemen en dan pas de naam kiezen.
Welk deel is met de letter A aangegeven?
Kleine hersenen
Grote hersenen
Hersenstam
Ruggenmerg
A wijst naar de grote, geplooide bovenkant. Verwachte fout: kleine hersenen kiezen omdat die ook geplooid lijken. Image credit: Eigen labels op een tekening van NIAID, Ryan Kissinger / Wikimedia Commons, publiek domein
Welk deel is met de letter C aangegeven?
Grote hersenen
Kleine hersenen
Hersenstam
Ruggenmerg
C wijst naar de steel onder de hersenen: de hersenstam. Het ruggenmerg staat niet op de tekening. Verwachte fout: ruggenmerg kiezen omdat de steel er naartoe loopt. Image credit: Eigen labels op een tekening van NIAID, Ryan Kissinger / Wikimedia Commons, publiek domein
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 2: een schema van een reflex lezen
Je krijgt een schema van een reflex.
Kijk waar de pijlen heen wijzen.
Een gevoelszenuwcel voert naar het ruggenmerg toe, een bewegingszenuwcel ervan af.
Een schakelcel ligt in het ruggenmerg tussen die twee.
Examenvraag met schema: een zenuwcel aanwijzen of benoemen. Alleen KB/GT hoeft de soorten zenuwcellen te kennen.
Welk deel is met de letter C aangegeven?
Schakelcel
Gevoelszenuwcel
Bewegingszenuwcel
Ruggenmerg
C ligt in het ruggenmerg tussen de gevoelszenuwcel en de bewegingszenuwcel: de schakelcel. Verwachte fout: bewegingszenuwcel kiezen omdat die ook in het ruggenmerg begint. Image credit: Eigen afbeelding
Welke letter is de bewegingszenuwcel?
A
D
C
E
D voert het signaal van het ruggenmerg naar de spier. A is de gevoelszenuwcel, C de schakelcel en E de spier. Verwachte fout: E kiezen, de spier is geen zenuwcel. Image credit: Eigen afbeelding
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 3: reflexen herkennen
Een reflex is vast en onbewust.
Let op wat er gebeurt: terugtrekken, strekken, tikken op de pees of de pupil.
Weet je het soort reflex, dan weet je wat er in je lichaam gebeurt.
Lees de situatie goed: wat is de prikkel en wat is de reactie?
Examenvraag in een situatie: het soort reflex herkennen en de reactie verklaren. Alleen KB/GT hoeft de soorten reflexen te kennen.
Je raakt een hete pan aan en trekt je hand direct weg. Welke reflex is dit?
Kniepeesreflex
Pupilreflex
Strekreflex
Terugtrekreflex
Je hand gaat weg van de prikkel: terugtrekreflex. Verwachte fout: strekreflex, maar daarbij strekt het andere been zich.
Je stapt op een punaise en trekt dat been op. Wat doet je andere been door de strekreflex?
Het strekt zich, zodat je blijft staan
Het buigt mee, zodat je sneller wegkomt
Het ontspant, zodat je gaat zitten
Het draait weg van de punaise
Het andere been strekt zich zodat je niet omvalt. Verwachte fout: denken dat beide benen terugtrekken. Dan val je om.
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Vraagtype 4: gedrag en prikkels
Zoek de prikkel die het gedrag in gang zet.
Inwendig: uit je eigen lichaam, zoals honger of dorst.
Uitwendig: uit de omgeving, zoals een geluid, een geur of licht.
Let op: het gedrag zelf is geen prikkel.
Examenvraag in een situatie: inwendige en uitwendige prikkels onderscheiden. Alleen KB/GT.
Tijdens het hardlopen krijg je dorst en je pakt een bidon. Welke prikkel is inwendig?
De zon die op je schijnt
Het geluid van andere lopers
De dorst die je voelt
De bidon die je ziet
Dorst komt uit je eigen lichaam. De andere opties komen uit de omgeving. Verwachte fout: de bidon kiezen, maar dat is een uitwendige prikkel.
Een vogel vliegt weg als een tractor langsrijdt. Welke prikkel is uitwendig?
De honger van de vogel
De vermoeidheid van de vogel
Het lawaai van de tractor
De drang om te nestelen
Het lawaai komt uit de omgeving. De andere opties zijn inwendig. Verwachte fout: het wegvliegen kiezen, dat is het gedrag zelf en geen prikkel.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Delen van de hersenen aanwijzen
Een reflexschema lezen
Reflexen herkennen
Gedrag en prikkels
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.
REAGEREN · ZENUWSTELSEL
Tips voor op het examen
Kijk bij een tekening eerst naar de vorm van het deel voordat je de naam kiest.
Een gevoelszenuwcel gaat naar het CZS toe, een bewegingszenuwcel gaat naar de spier.
Bij de kniepeesreflex zit geen schakelcel, bij de terugtrekreflex wel.
Het gedrag zelf is geen prikkel: zoek wat het gedrag in gang zet.
Cet élément n'a pas d'instructions