Oefenexamen HAVO - Duitsland in Europa 1918-1991

Oefenexamen HAVO — Geschiedenis

Duitsland in Europa 1918-1991 — 10 vragen — ca. 27 punten


1 / 11
suivant
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 11 diapositives, avec quiz interactifs et diapositive de texte.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Éléments de cette leçon

Oefenexamen HAVO — Geschiedenis

Duitsland in Europa 1918-1991 — 10 vragen — ca. 27 punten


Vraag 1 (3p)

Het Verdrag van Versailles (1919) legde Duitsland zware voorwaarden op.
a) Noem twee bepalingen van het verdrag die Duitsland als vernederend ervoer. (2p)
b) Leg uit hoe het verdrag bijdroeg aan de opkomst van het nationaalsocialisme. (1p)

Vraag 2 (2p)

De Weimarrepubliek (1919-1933) had te maken met ernstige problemen.
a) Leg uit wat de Dolchstosslegende inhield en wie erdoor werden beschuldigd. (1p)
b) Noem twee economische crises die de Weimarrepubliek verzwakten. (1p)

Vraag 3 (3p)

Hitler werd op 30 januari 1933 benoemd tot rijkskanselier.
Leg uit hoe Hitler in drie stappen de democratie afschafte. Gebruik de begrippen 'Rijksdagbrand', 'noodverordening' en 'Machtigingswet'.

Vraag 4 (2p)

Het begrip 'gelijkschakeling' (Gleichschaltung) is kenmerkend voor de totalitaire staat.
a) Leg uit wat gelijkschakeling inhield. (1p)
b) Geef twee concrete voorbeelden. (1p)

Vraag 5 (3p)

Bekijk de foto van een Holocaustmonument.
De vervolging van Joden verliep in vier fasen.
Beschrijf drie fasen en noem bij elke fase een concreet voorbeeld.

Vraag 6 (2p)

Na de Tweede Wereldoorlog werd Duitsland verdeeld.
a) Leg uit hoe de verdeling van Duitsland een direct gevolg was van de Koude Oorlog. (1p)
b) Noem een verschil tussen de BRD en de DDR op economisch of politiek gebied. (1p)

Vraag 7 (3p)

Bekijk de foto van de Berlijnse Muur.
a) Noem een economisch en een politiek motief voor de bouw van de muur (1961). (2p)
b) Op 17 augustus 1962 werd Peter Fechter (18 jaar) doodgeschoten bij een vluchtpoging. Leg uit waarom dit voorval internationaal zo'n impact had. (1p)

Vraag 8 (2p)

Willy Brandt voerde als bondskanselier (1969-1974) de Ostpolitik.
a) Leg uit wat de Ostpolitik inhield. (1p)
b) Waarom was de knieval van Brandt bij het gettomomument in Warschau (1970) zo'n sterk symbool? (1p)

Vraag 9 (3p)

Michail Gorbatsjov voerde vanaf 1985 hervormingen door.
a) Leg uit wat 'glasnost' en 'perestrojka' inhielden. (2p)
b) Leg uit hoe de 'Sinatra-doctrine' verschilde van de Brezjnev-doctrine en wat dit betekende voor Oost-Europa. (1p)

Vraag 10 (3p)

Bekijk de foto van de Berlijnse Muur.
Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur.
a) Noem twee ontwikkelingen die leidden tot de val van de muur. (2p)
b) Op welke datum werd Duitsland herenigd en via welk verdrag? (1p)