Leefbaarheid in wijken (Aardrijkskunde havo), les 2: Examentraining

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Examentraining

Leefbaarheid in wijken: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
suivant
Slide 1: Slide
newEditorAardrijkskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Examentraining leefbaarheid: wijken vergelijken, leefbaarheid onderbouwen, processen herkennen en wijkbeleid evalueren, met vragen in examenstijl.

Éléments de cette leçon

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Examentraining

Leefbaarheid in wijken: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Marcel Douwe Dekker / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over leefbaarheid beantwoorden met indicatoren, begrippen en dimensies.

Cet élément n'a pas d'instructions

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: onderstreep het vraagwoord: geef, verklaar, beschrijf, beredeneer of beargumenteer.

  • 2. Zoek: welke indicator staat in de bron: openbare ruimte, woning, bewoner of veiligheid?

  • 3. Vergelijk: noem bij twee wijken steeds beide waarden en het verschil.

  • 4. Schrijf: gegeven uit de bron, verband met leefbaarheid, oordeel.

Cet élément n'a pas d'instructions

Zwartewaalstraat in de Tarwewijk, Rotterdam

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Vraagtype 1: wijken vergelijken

  • Vraag: 'Vergelijk wijk A en wijk B op een woningkenmerk.'

  • Zoek in de bron de indicator en noem voor beide wijken de waarde.

  • Voorbeeld: in wijk A is veel sociale huur, in wijk B vooral koop.

  • Trek daarna de conclusie: wat zegt het verschil over de wijk?

Image credit: el ui / Wikimedia Commons, CC BY 3.0

Wijk A heeft veel galerijflats uit de jaren zeventig, wijk B vooral nieuwbouw-koop. Welke indicator?

A

Woningkenmerken

B

Bewonerskenmerken

C

Sociale cohesie

D

Toegankelijkheid

Goed: ouderdom, woningtype en eigendom zijn woningkenmerken. Verwachte fout: bewonerskenmerken, omdat de koopwoningen iets zeggen over inkomen. Dat is een gevolg, geen kenmerk van de woning zelf.

In wijk A heeft een groot deel een laag inkomen, in wijk B een klein deel. Welk kenmerk vergelijk je?

Goed: inkomen, een bewonerskenmerk. Eventueel de conclusie dat wijk A meer huishoudens met een laag inkomen heeft. Verwachte fout: leeftijd of huishoudenstype noemen.

Bilderdijkpark in Amsterdam Oud-West

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Vraagtype 2: leefbaarheid onderbouwen

  • Vraag: 'Beargumenteer of deze buurt leefbaar is.'

  • Kies minstens twee indicatoren uit de bron en geef een oordeel.

  • Voorbeeld: veel zwerfvuil, donkere hoeken en weinig toezicht wijzen op lage leefbaarheid.

  • Noem ook wat dit voor bewoners betekent: onveilig voelen of minder contact.

Image credit: Kaz Alting / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Een park heeft hoge struiken, kapotte lampen en veel zwerfvuil. Beoordeel de leefbaarheid.

Goed: lage leefbaarheid, met minstens twee criteria: onderhoud (vuil, kapotte lampen) en overzichtelijkheid (hoge struiken geven verborgen hoeken), met als gevolg een lager veiligheidsgevoel. Verwachte fout: alleen 'het is slecht' zonder criterium.

Bewoners voelen zich onveilig in een steegje. Welke verbetering raakt de overzichtelijkheid?

A

Het steegje afsluiten met een hek

B

Meer sociale huurwoningen bouwen

C

Het steegje beter verlichten en struiken weghalen

D

Een buurtfeest organiseren

Goed: verlichting en zicht verbeteren de overzichtelijkheid. Het hek raakt de toegankelijkheid, het feest de sociale cohesie. Verwachte fout: het hek.

Flats in de wijk Meeuwenplaat, Hoogvliet, gezien over de Oude Maas

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Vraagtype 3: processen herkennen

  • Vraag: 'Welk proces vindt hier plaats en wat verandert er?'

  • Kijk eerst: wordt iets opgeknapt, vervangen of krijgt het een andere functie?

  • Kijk dan naar de bewoners: komen er mensen met hoger inkomen en stijgen de prijzen?

  • Noem het begrip en het bewijs uit de bron.

Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een oud havenpand wordt appartementen en horeca. Welk begrip past het beste?

A

Stadsvernieuwing

B

Objectieve veiligheid

C

Transformatie

D

Bewonerskenmerken

Goed: de functie verandert van haven naar wonen en horeca. Verwachte fout: stadsvernieuwing, omdat het wordt opgeknapt. Hier verandert de functie, niet alleen de staat.

Een buurt wordt opgeknapt, de huren stijgen en bewoners met laag inkomen vertrekken. Welk proces?

Goed: gentrificatie, met als bewijs de stijgende huren en het vertrek van bewoners met laag inkomen. Verwachte fout: stadsvernieuwing zonder het bewijs van de verandering in de bevolking.

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Vraagtype 4: beleid evalueren

  • Vraag: 'Beoordeel dit wijkbeleid vanuit de sociaal-culturele dimensie.'

  • Gebruik de gevraagde dimensie: economisch, sociaal-cultureel, politiek of natuurlijk.

  • Noem het doel van het beleid, wat het bereikt en voor wie het goed of slecht uitpakt.

  • Sluit af met een oordeel: gelukt, deels gelukt of niet gelukt.

Cet élément n'a pas d'instructions

Een gemeente laat buurtbewoners meebeslissen over een nieuw plein. Welke dimensie?

A

De politieke dimensie

B

De economische dimensie

C

De natuurlijke dimensie

D

De demografische dimensie

Goed: politiek, het gaat om inspraak en besluitvorming. Verwachte fout: sociaal-cultureel, omdat het om bewoners gaat. Maar sociaal-cultureel zou gaan over contact en gewoonten.

Door herstructurering komen er duurdere koopwoningen. Geef een economisch nadeel voor de oude bewoners.

Goed: de woonlasten kunnen te hoog worden of er zijn minder betaalbare woningen, waardoor ze moeten verhuizen. Verwachte fout: een sociaal nadeel noemen, zoals het verdwijnen van buren.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Wijken vergelijken

2

Leefbaarheid onderbouwen

3

Processen herkennen

4

Beleid evalueren

Cet élément n'a pas d'instructions

STAD · LEEFBAARHEID WIJKEN

Tips voor op het examen

  • Noem bij leefbaarheid altijd minstens twee indicatoren en verbind ze met de beleving van bewoners.

  • Let op het verschil tussen stadsvernieuwing, herstructurering, transformatie en gentrificatie: zoek het bewijs in de bron.

  • Bij 'beoordeel' hoort een oordeel: voor wie is het goed of slecht, en op welk schaalniveau?

Cet élément n'a pas d'instructions