Conjunctuur (Economie havo), les 2: Examentraining

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Examentraining

Conjunctuur: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Examentraining met vragen over een lijndiagram lezen, de conjunctuurfase bepalen uit een tabel, rekenen met reële groei en procentpunt en gevolgen beredeneren.

Éléments de cette leçon

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Examentraining

Conjunctuur: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Ron Kroon / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over conjunctuur beantwoorden met diagrammen, tabellen en berekeningen.

Cet élément n'a pas d'instructions

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welk land, welke indicatoren en welke periode (kwartaal of jaar)?

  • 2. Bepaal: het niveau en de verandering van elke indicator.

  • 3. Kies: hoogconjunctuur, laagconjunctuur, recessie of depressie, of kies de juiste formule.

  • 4. Controleer: past je antwoord bij alle indicatoren en staat de eenheid (procent of procentpunt) erbij?

Cet élément n'a pas d'instructions

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Bbp-groei en werkloosheid van Beekland in acht kwartalen

Vraagtype 1: een lijndiagram lezen

  • Zoek de juiste lijn: de bbp-groei of de werkloosheid.

  • Een recessie is minimaal twee kwartalen achter elkaar negatieve groei: onder de nullijn.

  • Lees bij elk kwartaal het niveau af en let op de verandering.

Beekland: groei per kwartaal 1,0, 0,5, -0,5, -1,0, -0,5, 0,5, 1,0, 1,5 en werkloosheid 4,0, 4,0, 4,5, 5,5, 6,0, 5,5, 5,0, 4,5. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

Gebruik het diagram: in welke kwartalen is er sprake van een recessie?

A

Kwartaal 1 tot en met 3

B

Kwartaal 5 tot en met 8

C

Kwartaal 6 tot en met 8

D

Kwartaal 3 tot en met 5

De groei is negatief in kwartaal 3, 4 en 5: minimaal een half jaar. Verwachte fout: het laagste punt (kwartaal 4) of de periode met de hoogste werkloosheid kiezen.

Hoe verandert de werkloosheid in Beekland tijdens de recessie?

A

Ze stijgt van 4,5% naar 6,0%

B

Ze daalt van 6,0% naar 4,5%

C

Ze blijft gelijk op 4,0%

D

Ze daalt eerst en stijgt daarna weer

In kwartaal 3 is de werkloosheid 4,5% en in kwartaal 5 is ze 6,0%. Verwachte fout: de lijnen verwisselen.

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Noordland, Zuidland en Westland vergeleken

Vraagtype 2: de conjunctuurfase bepalen

  • Kijk bij elk land naar groei, werkloosheid, inflatie en vertrouwen.

  • Hoogconjunctuur: hoge groei, lage werkloosheid, toenemende inflatie.

  • Recessie met deflatie is een depressie.

Noordland: hoogconjunctuur. Zuidland: laagconjunctuur zonder recessie. Westland: recessie (twee kwartalen negatief) met deflatie (inflatie -1%), dus een depressie. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Welk land heeft hoogconjunctuur?

A

Zuidland

B

Westland

C

Noordland

D

Alle drie de landen

Noordland: groei hoog, werkloosheid laag, inflatie neemt toe van 2% naar 4% en het vertrouwen is hoog. Verwachte fout: alleen naar de groei kijken.

Wat is de situatie in Westland?

A

Een recessie, maar zonder deflatie

B

Hoogconjunctuur met overbesteding

C

Een depressie: een recessie met deflatie

D

Laagconjunctuur met een groeiend bbp

De groei is twee kwartalen negatief (recessie) en de inflatie is -1% (deflatie): samen een depressie. Verwachte fout: de deflatie over het hoofd zien.

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Oostland: groei, werkloosheid en inflatie in twee jaren

Vraagtype 3: rekenen met reëel en procentpunt

  • Reële groei = nominale groei - inflatie.

  • Procentpuntverandering = nieuw percentage - oud percentage.

  • Zet de eenheid erbij: procent of procentpunt.

Oostland: de werkloosheid stijgt van 6% naar 9%, dus 3 procentpunt (in procenten: 50%). Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Je nominale inkomen stijgt 2% en de inflatie is 5%. Wat is de reële groei?

A

-3%

B

+3%

C

+7%

D

-7%

Reële groei = 2 - 5 = -3%. Verwachte fouten: het teken omdraaien (+3) of optellen (+7).

Werkloosheid 6% naar 9%: hoeveel procentpunt?

Werkloosheid van 6% naar 9%: 9 - 6 = 3 procentpunt. Verwachte fout: 50% of 3% noemen.

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Vraagtype 4: gevolgen beredeneren

  • Werk met een keten: oorzaak, tussenstap en gevolg.

  • Voorbeeld: producentenvertrouwen daalt, bedrijven investeren minder, de bestedingen dalen, het bbp groeit minder.

  • Conjunctuur gaat over de korte termijn: kwartalen en jaren.

Beredeneerde ketens scoren op het examen meer dan alleen een uitkomst.

Het producentenvertrouwen daalt sterk. Wat doen bedrijven waarschijnlijk?

A

Ze investeren meer

B

Ze nemen extra personeel aan

C

Ze verhogen de productie sterk

D

Ze investeren minder

Pessimistische ondernemers verwachten minder omzet en stellen investeringen uit. Verwachte fout: alleen naar de prijzen kijken.

Noem twee gevolgen van laagconjunctuur.

Bijvoorbeeld: hogere werkloosheid, lagere werkgelegenheid, afnemende inflatie, trage inkomensgroei. Verwachte fout: een gevolg van hoogconjunctuur noemen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een lijndiagram lezen

2

De conjunctuurfase bepalen

3

Rekenen met reëel en procentpunt

4

Gevolgen beredeneren

Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen.

CONJUNCTUUR · INDICATOREN

Tips voor op het examen

  • Kijk bij elke indicator naar het niveau en naar de verandering.

  • Een recessie is minimaal een half jaar negatieve groei: één kwartaal telt niet.

  • Afnemende inflatie is geen deflatie: de prijzen stijgen dan nog.

  • Procent of procentpunt: lees goed wat er gevraagd wordt en zet de eenheid erbij.

Cet élément n'a pas d'instructions