Economie voor vmbo
gratis lessen voor het vak economie

Quiz Arbeidsmarkt

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de arbeidsmarkt?
A
Alle vraag en aanbod van arbeid.
B
Alle mensen die werk zoeken.
C
Mensen van 15 jaar tot pensioen die werken.
D
Alle vacatures bij werkgevers.

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vraag naar arbeid komt van de ...
A
werknemers.
B
werkgevers.

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geregistreerde werkloosheid?
A
Als je ingeschreven staat bij het UWV.
B
Als je niet ingeschreven staat bij het UWV.
C
Als je zwart werkt.
D
Als je wit werkt.

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij een overschot op de arbeidsmarkt is er meer ...
A
aanbod.
B
vraag.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij een tekort op de arbeidsmarkt zijn er te veel ...
A
banen.
B
werknemers.
C
werkzoekenden.
D
werklozen.

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar komt het aanbod van arbeid vandaan?

A
arbeiders
B
arbeidsverdeling
C
beroepsbevolking
D
werkgevers

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van wie komt de vraag naar arbeid?
A
de beroepsbevolking
B
de werkgevers
C
de werknemers
D
de werklozen

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vraag van arbeid bestaat uit ...
A
werklozen, werkenden, zelfstandigen.
B
vacatures, werkenden, zelfstandigen.
C
de beroepsgeschikte bevolking.
D
de beroepsbevolking - alle werklozen.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke werkloosheid is niet tijdelijk?
A
seizoenswerkloosheid
B
structurele werkloosheid
C
regionale werkloosheid
D
frictiewerkloosheid

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van werkloosheid krijg je wanneer bedrijven zich naar het buitenland verplaatsen?
A
regionale werkloosheid
B
conjuncturele werkloosheid
C
seizoenswerkloosheid
D
structurele werkloosheid

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer je een tijdje per jaar niet kunt werken noem je deze werkloosheid ...
A
structurele werkloosheid.
B
seizoenswerkloosheid.
C
verborgen werkloosheid.
D
conjuncturele werkloosheid.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Conjuncturele werkloosheid is blijvend.
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent regionale werkloosheid?
A
Werkloosheid die niet bekend is bij UWV.
B
Dat er in een bepaald seizoen meer werkloosheid is.
C
Dat er in een bepaalde provincie meer werkloosheid is.
D
Dat er geen werk is voor bepaalde opleidingen.

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van werkloosheid ontstaat altijd als gevolg van dalende bestedingen?
A
conjuncturele werkloosheid
B
frictiewerkloosheid
C
structurele werkloosheid
D
economische werkloosheid

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als er veel vraag is naar programmeurs, en er zijn er maar weinig, dan is het salaris hoog.
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Dit is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer.
A
CAO
B
Arbeidsovereenkomst
C
Flexwerk
D
Arbeidsvoorwaarden

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een CAO?
A
Centrale Arbeidsovereenkomst
B
Collectieve Arbeidsonderneming
C
Centrale Arbeidsonderneming
D
Collectieve Arbeidsovereenkomst

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn primaire arbeidsvoorwaarden?
A
loon, studiekosten, auto
B
loon, vakantiedagen, auto
C
loon, werktijden vakantiedagen
D
loon, laptop, pensioen

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een overschot aan arbeiders kan leiden tot ontslag.
A
juist
B
onjuist

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Deze wet regelt de werk- en rusttijden.
A
Arbowet
B
Arbeidstijdenwet
C
Wet Minimumloon
D
Algemene wet gelijke behandeling

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bereken het nettoloon:
Brutoloon: € 3.000. Loonbelasting: € 800. Sociale premies: € 150.
A
€ 3.950
B
€ 2.200
C
€ 2.050
D
€ 1.950

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer is er sprake van een krappe arbeidsmarkt?
A
veel vacatures, veel werknemers
B
veel vacatures, weinig werknemers
C
weinig vacatures, veel werknemers
D
weinig vacatures, weinig werknemers

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voor wie is een krappe arbeidsmarkt voordelig?
A
werkgever
B
werkzoekende
C
niemand
D
belastingdienst

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een ruime arbeidsmarkt heeft een tekort aan werknemers.
A
juist
B
onjuist

Slide 25 - Quizvraag

Juist
Bij een ruime arbeidsmarkt hebben we te maken met ...
A
een hoge werkloosheid.
B
een lage werkloosheid

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is er op een krappe arbeidsmarkt meer of minder werkloosheid dan op een ruime arbeidsmarkt?
A
meer
B
minder

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

En de winnaar is ...

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies