WERELD · WERELDSYSTEEM
Examentraining
Landen vergelijken, wereldsysteem: zo pak je examenvragen aan
Les van Examenstof
In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
WERELD · WERELDSYSTEEM
Examentraining
Landen vergelijken, wereldsysteem: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Mark Hillary / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
WERELD · WERELDSYSTEEM
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen beantwoorden waarin ik landen vergelijk en indeel, kolonialisme en industrialisatie gebruik als verklaring en een demografische ontwikkeling voorspel.
Deze slide heeft geen instructies
WERELD · WERELDSYSTEEM
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is het vraagwoord? Beschrijf, vergelijk, verklaar, voorspel of beargumenteer.
2. Zoek: welke indicator, welk land en welk schaalniveau staat in de bron of kaart?
3. Verbind: gebruik een begrip uit de les, zoals centrum, exploitatiekolonie of fase 2.
4. Schrijf: een ketting met doordat en daardoor, met gegevens uit de bron.
Deze slide heeft geen instructies
Dharavi, een sloppenwijk in Mumbai (India), met de zakenwijken van de stad op de achtergrond, 2009
WERELD · WERELDSYSTEEM
Vraagtype 1: landen vergelijken
Je krijgt twee landen met indicatoren en moet vergelijken of een samenhang beschrijven.
Vergelijk altijd beide landen in één zin: A is hoger dan B.
Zoek de samenhang: een hoog bbp per hoofd gaat meestal samen met een hoge HDI en veel verstedelijking.
Let op: het zijn gemiddelden, zeg dat bij een conclusie over de bevolking.
Veelgebruikte vraagstelling: vergelijk, beschrijf, geef de samenhang. Werkwijze: vergelijken in ruimte en relaties leggen tussen indicatoren. De gebruikte landen in de vragen zijn fictief, dat past bij een examenvraag met een gegeven. Veelgemaakte fout: één land beschrijven en het andere niet noemen. Image credit: Mark Hillary / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Land A: hoog bbp per hoofd en veel stedelingen. Land B: laag en weinig. Wat past?
Land A is een periferieland, land B ligt in het centrum
Beide landen horen bij de semi-periferie
Land B heeft een hogere HDI dan land A
Land A is een centrumland, land B ligt in de periferie
Een hoog bbp per hoofd past bij het centrum, een laag bij de periferie. Een hogere verstedelijking gaat meestal samen met hogere welvaart. Een leerling die de tweede kiest, draait de samenhang om.
Land X heeft een hoog bbp per hoofd. Waarom zegt dat weinig over iedereen?
Goed antwoord: het is een gemiddelde dat sociale en ruimtelijke verschillen verhult; een kleine groep kan veel verdienen terwijl anderen weinig hebben, of de hoofdstad kan veel rijker zijn dan het platteland. Verwachte fout: alleen zeggen dat het bbp te hoog is.
Suikerfabriek op Java in Nederlands-Indië, een exploitatiekolonie, koloniale tijd
WERELD · WERELDSYSTEEM
Vraagtype 2: verklaren met kolonialisme
Je krijgt een land met een koloniaal verleden en moet de huidige positie verklaren.
Noem het type kolonie: vestiging of exploitatie.
Leg de internationale arbeidsverdeling uit: grondstoffen tegenover industrie.
Noem het gevolg voor de positie in het wereldsysteem.
Vraagtype: verklarend (oorzaak en gevolg). Ketting: exploitatiekolonie, vooral grondstoffen, weinig industrie, perifere positie. Veelgemaakte fout: de verklaring alleen op kolonialisme baseren. Ook de ruilvoet, handelsbelemmeringen en bestuur spelen een rol, zie de les Handel, investeringen en migratie. Image credit: Woodbury & Page / Tropenmuseum via Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Een oud-kolonie exporteert vooral koffie en erts. Wat verklaart dit?
Een vestigingskolonie met veel industrie
Nog steeds een kolonie van het moederland
Het land heeft nooit handelscontacten gehad
Een exploitatiekolonie met weinig eigen industrie
Goed: in een exploitatiekolonie werd vooral geproduceerd voor export van grondstoffen. De tweede optie beschrijft het omgekeerde, de derde negeert dekolonisatie.
Leg uit hoe de internationale arbeidsverdeling in de koloniale tijd ontstond.
Goed antwoord: de kolonie leverde grondstoffen en landbouwproducten, het moederland verwerkte ze in fabrieken tot producten; zo werd het moederland rijk en bleef de kolonie afhankelijk van de export van grondstoffen. Verwachte fout: alleen noemen dat de kolonie arm was zonder de rolverdeling te beschrijven.
Campus van het ict-bedrijf Infosys in India, luchtfoto
WERELD · WERELDSYSTEEM
Vraagtype 3: landen indelen
Je krijgt kenmerken van een land en moet het indelen in centrum, semi-periferie of periferie.
Kijk naar de economische indicatoren: bbp, industrie, diensten en groei.
Een snelgroeiend land met zowel moderne als arme gebieden hoort bij de semi-periferie.
Onderbouw met minstens twee kenmerken uit de bron.
Werkwijze: geografische context (indelen en toedelen). De indeling is een model, kenmerken wijzen de richting. Voorbeeld van een opkomende economie in de semi-periferie: India, met een snelgroeiende ict-sector in steden als Bangalore naast veel arme regio's. Veelgemaakte fout: indelen op één kenmerk. Image credit: Vinu Thomas / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
Een land groeit snel, met fabrieken, ict en veel armoede. Welke positie?
Centrum: het land is volledig ontwikkeld
Semi-periferie: snelle groei en grote verschillen
Periferie: er is geen industrie
Centrum: de armoede bewijst dat het land rijk is
Goed: een opkomende economie met moderne sectoren en arme gebieden is semi-perifeer. De andere opties negeren de snelle groei of de armoede.
Beredeneer waarom India vaak bij de semi-periferie wordt ingedeeld.
Goed antwoord: sterke economische groei en industrie en een grote ict-sector, maar een nog lager bbp per hoofd dan centrumlanden en grote sociale en ruimtelijke verschillen. Verwachte fout: alleen groei noemen zonder het verschil met het centrum.
Een drukke markt in Lagos (Nigeria), luchtfoto
WERELD · WERELDSYSTEEM
Vraagtype 4: voorspellen en waarderen
Je krijgt een land in een fase van het transitiemodel en moet voorspellen wat er gebeurt.
Bepaal eerst de fase aan het geboorte- en sterftecijfer.
Voorspel de groei, de leeftijdsopbouw en de gevolgen, zoals demografische druk.
Bij waarderen: noem een voordeel en een nadeel en geef een oordeel.
Vraagtypen: voorspellend en waarderend. Fase 2: snelle groei en veel jongeren, dus veel scholen en banen nodig. Fase 4 en 5: vergrijzing, minder werkenden per oudere. Voorbeeld uit de periferie: Nigeria met jonge bevolking en grote steden zoals Lagos. Veelgemaakte fout: voorspellen zonder de fase te noemen. Image credit: Ayorinde Ogundele / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Land Z: hoge geboorte, snel dalende sterfte. Wat gebeurt er met de bevolking?
Zij krimpt en vergrijst snel
Zij blijft gelijk, want geboorte en sterfte zijn gelijk
Zij groeit snel, met veel jongeren
Zij groeit langzaam en vergrijst snel
Dit is fase 2: het sterftecijfer daalt eerst, dus de bevolking groeit snel en is jong. De eerste optie hoort bij fase 5, de derde bij fase 3 en 4.
Land Z groeit snel en jong. Geef één gevolg voor werk of onderwijs.
Goed antwoord: veel jongeren hebben scholen en later banen nodig; als die er niet komen, ontstaat werkloosheid of migratie naar steden of buitenland. Verwachte fout: een gevolg noemen dat bij vergrijzing hoort.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Landen vergelijken
Verklaren met kolonialisme
Landen indelen
Voorspellen en waarderen
Deze slide heeft geen instructies
WERELD · WERELDSYSTEEM
Tips voor op het examen
Een gemiddelde verhult verschillen: noem dat bij elke conclusie over een bevolking.
Gebruik bij kolonialisme het woord internationale arbeidsverdeling en noem de rol van beide gebieden.
Deel een land altijd in op meerdere kenmerken en noem die in je antwoord.
Bij het transitiemodel: eerst de fase bepalen, dan pas voorspellen.
Schrijf bij vergelijken beide landen in dezelfde zin.
Deze slide heeft geen instructies