Oefenexamen VWO — Geschiedenis
Verlichting 1650-1900 — 10 vragen — ca. 27 punten
Les van LessonUp Examentraining
In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Oefenexamen VWO — Geschiedenis
Verlichting 1650-1900 — 10 vragen — ca. 27 punten
Verlichte ideeen (1650-1789)
Vraag 1 (2p)
In de 17e eeuw legden ontdekkingsreizen, ambachtelijke technieken en het rationalisme van Descartes de basis voor de wetenschappelijke revolutie.
a) Leg uit hoe de ontdekkingen van Newton leidden tot discussies over de positie van godsdienst. (1p)
b) Waarom werden godsdienst en geweten steeds meer als zaken van het individu gezien? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Newtons natuurwetten lieten zien dat de wereld verklaard kon worden door wetenschap in plaats van religie, waardoor de kerk haar monopolie op waarheid verloor (1p). b) Verlichte denkers stelden dat traditie en religieuze praktijken getoetst moesten worden aan criteria van redelijkheid — het individu moest zelf nadenken, niet blindelings de kerk volgen (1p).
Vraag 2 (3p)
Bekijk de afbeelding van de Bestorming van de Bastille.
Koppel elke Verlichtingsdenker aan zijn belangrijkste idee en geef bij een van hen een voorbeeld van toepassing:
Locke
Montesquieu
Rousseau
Adam Smith
Antwoord
Maximumscore 3 Locke: natuurrechten (leven, vrijheid, eigendom) + sociaal contract (1p). Montesquieu: scheiding der machten / trias politica. Rousseau: volkssoevereiniteit, volonte generale, directe democratie. Adam Smith: vrije markt, rationeel eigenbelang, verhouding overheid-economie. 4 goed = 2p, 3 goed = 1p. Extra 1p: bijv. Locke in Declaration of Independence / Montesquieu in Amerikaanse grondwet.
Vraag 3 (2p)
Sommige vorsten omarmden elementen van het verlichtingsdenken zonder het absolutisme los te laten. Dit wordt 'verlicht absolutisme' genoemd.
a) Leg uit wat verlicht absolutisme inhield. (1p)
b) Geef een voorbeeld van een verlicht absoluut vorst en een hervorming die hij/zij doorvoerde. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vorsten voerden hervormingen door die geïnspireerd waren door de Verlichting (onderwijs, rechtspraak, tolerantie), maar behielden de absolute macht (1p). b) Frederik de Grote (Pruisen): godsdienstvrijheid, afschaffing foltering / Catharina de Grote (Rusland) / Jozef II (Oostenrijk) (1p).
Democratische revoluties (1776-1813)
Vraag 4 (3p)
Bekijk de afbeelding van de Bestorming van de Bastille.
In de Britse koloniën in Noord-Amerika raakten verlichtingsideeën verspreid via literatuur en briefwisselingen.
a) Leg uit welk verlicht principe de slogan 'No taxation without representation' uitdrukt. (1p)
b) Noem twee verlichte ideeën die terugkomen in de Declaration of Independence (1776). (1p)
c) Leg uit waarom de 'universele rechten' in de praktijk niet voor iedereen golden. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Volkssoevereiniteit: belasting heffen zonder vertegenwoordiging schendt het recht van het volk om mee te beslissen (Locke/Rousseau) (1p). b) Twee uit: natuurlijke rechten (all men are created equal), volkssoevereiniteit, recht op verzet tegen tirannie (1p). c) Vrouwen, tot slaaf gemaakten en inheemse Amerikanen kregen geen rechten — de kolonisten zelf gebruikten geweld tegen inheemsen (1p).
Vraag 5 (3p)
In Frankrijk leidde de Verlichting tot de Franse Revolutie (1789).
a) Noem twee directe oorzaken van de Franse Revolutie. (1p)
b) Leg uit hoe de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (1789) verlichte ideeën in de praktijk bracht. (1p)
c) In 1792 kwam er een tweede revolutie. Onder leiding van Robespierre en de jakobijnen werden vermeende tegenstanders vervolgd. Ook Olympe de Gouges werd terechtgesteld. Leg uit waarom haar lot de 'paradox van de Verlichting' illustreert. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Twee uit: financiële crisis, standenmaatschappij (3e stand ontevreden), hongersnood, verlichtingsideeën bij de elite (1p). b) Gelijkheid voor de wet, afschaffing standenprivileges, censuskiesrecht, vrijheid van meningsuiting — directe toepassing van Verlichtingsideeën (1p). c) De Gouges schreef de Verklaring van de Rechten van de Vrouw (1791), maar werd terechtgesteld door dezelfde revolutionairen die 'universele rechten' predikten — universeel gold dus niet voor vrouwen (1p).
Vraag 6 (2p)
Napoleon nam in 1799 de macht over en kroonde zichzelf tot keizer.
a) Noem twee revolutionaire ideeën die Napoleon vastlegde in de Code Napoléon. (1p)
b) Leg uit waarom Napoleon tegelijkertijd als verspreider en als tegenspreker van de Verlichting kan worden gezien. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: gelijkheid voor de wet, afschaffing feodalisme, eigendomsrecht, scheiding kerk-staat (1p). b) Verspreider: hij voerde verlichte wetten in over heel Europa. Tegenspreker: hij was een dictator met censuur en geheime politie — geen volkssoevereiniteit (1p).
Politieke cultuur in Europa (1813-1900)
Vraag 7 (3p)
Het Congres van Wenen (1814-1815) probeerde de situatie van voor de Franse Revolutie te herstellen (restauratie).
a) Leg uit wat de overwinnaars wilden bereiken. (1p)
b) Noem drie politieke stromingen die in de 19e eeuw ontstonden als reactie op de restauratie en de industrialisering. Beschrijf bij elk kort het kernidee. (2p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Machtsevenwicht herstellen, oude vorsten terugzetten, revolutionaire ideeën onderdrukken (1p). b) Drie uit (2p voor drie met beschrijving): - Liberalisme: vrijheid individu, burgerrechten, kiesrechtuitbreiding - Socialisme: gelijkheid, arbeidersrechten, Marx klassenstrijd - Nationalisme: één volk = één staat, broederschap - Confessionalisme: christelijk-sociale politiek - Feminisme: gelijke rechten voor vrouwen
Vraag 8 (2p)
De industriële revolutie veranderde de samenleving ingrijpend.
a) Leg uit wat de 'sociale kwestie' inhield. (1p)
b) Hoe reageerden socialisten en confessionelen verschillend op de sociale kwestie? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Het debat over de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders als gevolg van de industrialisatie (kinderarbeid, lange werkdagen, slechte woningen) (1p). b) Socialisten: klassenstrijd, arbeidersorganisatie, revolutie (Marx) of geleidelijke hervorming (sociaaldemocraten). Confessionelen: naastenliefde, christelijk-sociale politiek, geen revolutie (1p).
Vraag 9 (3p)
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden feministische bewegingen.
a) Leg uit waarom het feminisme aanvankelijk weinig aanhang had. (1p)
b) Noem twee doelen van de feministische beweging in de 19e eeuw. (1p)
c) Aletta Jacobs speelde een belangrijke rol in Nederland. Noem een concrete bijdrage. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Het burgerlijk gezinsideaal zag vrouwen als verantwoordelijk voor huis en gezin — maatschappelijke participatie werd niet geaccepteerd (1p). b) Twee uit: kiesrecht voor vrouwen, gelijke toegang tot onderwijs en beroepen, bestrijding van prostitutie en drankmisbruik (1p). c) Aletta Jacobs werd de eerste vrouwelijke arts in Nederland (1871) / streed voor vrouwenkiesrecht / zette zich in voor anticonceptie (1p).