Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)
Het menselijk lichaam — 10 vragen — ca. 20 punten
Les van LessonUp Examentraining
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)
Het menselijk lichaam — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
Bekijk de afbeelding van het menselijk lichaam.
Het verteringsstelsel verwerkt voedsel.
a) Noem de organen van het verteringskanaal in de juiste volgorde, van mond tot anus. (1p)
b) Leg uit wat de functie van verteringsenzymen is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Mond -> slokdarm -> maag -> twaalfvingerige darm -> dunne darm -> dikke darm -> endeldarm met anus (1p). b) Verteringsenzymen breken grote voedingsmoleculen (eiwitten, koolhydraten, vetten) af tot kleine moleculen die door de darmwand in het bloed kunnen worden opgenomen (1p).
Vraag 2 (2p)
Voedingsstoffen hebben verschillende functies in het lichaam.
a) Noem de zes groepen voedingsstoffen. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen bouwstoffen, brandstoffen en beschermende stoffen. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Water, eiwitten, koolhydraten (zetmeel en suikers), vetten, mineralen (zouten), vitamines (1p). b) Bouwstoffen: voor opbouw lichaam (eiwitten, mineralen). Brandstoffen: leveren energie (koolhydraten, vetten). Beschermende stoffen: beschermen tegen ziekten (vitamines) (1p).
Vraag 3 (2p)
Bekijk de afbeelding van het menselijk lichaam.
Het hart pompt bloed door het lichaam.
a) Beschrijf de weg van het bloed door de grote en de kleine bloedsomloop. (1p)
b) Noem twee oorzaken van hartinfarcten. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Kleine bloedsomloop: rechterhartkamer -> longslagader -> longen -> longader -> linkerboezem. Grote bloedsomloop: linkerhartkamer -> aorta -> lichaam -> holle aders -> rechterboezem (1p). b) Twee uit: stress, overgewicht, roken, te grote inspanning, erfelijke aanleg (1p).
Vraag 4 (2p)
Slagaders, aders en haarvaten hebben verschillende functies.
a) Noem twee verschillen tussen een slagader en een ader. (1p)
b) Leg uit waarom haarvaten een dunne wand hebben. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: slagader heeft dikkere/elastischere wand, hogere bloeddruk, voert bloed van hart weg. Ader heeft kleppen, lagere druk, voert bloed naar hart toe (1p). b) De dunne wand maakt uitwisseling van stoffen (zuurstof, voedingsstoffen, afvalstoffen) mogelijk tussen bloed en cellen (1p).
Vraag 5 (2p)
Bloed heeft meerdere functies.
a) Noem de vier bestanddelen van bloed en geef van elk de functie. (1p)
b) Leg uit hoe zuurstof van de longen naar de weefsels wordt getransporteerd. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Rode bloedcellen (zuurstoftransport met hemoglobine), witte bloedcellen (afweer), bloedplaatjes (bloedstolling), bloedplasma (transport van voedingsstoffen en afvalstoffen) (1p). b) Zuurstof bindt aan hemoglobine in rode bloedcellen in de longen. Via het bloed worden de rode bloedcellen naar de weefsels getransporteerd, waar de zuurstof wordt afgegeven (1p).
Vraag 6 (2p)
Het ademhalingsstelsel zorgt voor gaswisseling.
a) Noem vier delen van het ademhalingsstelsel en beschrijf hun functie. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen borst- en buikademing. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vier uit: neusholte (verwarmen/bevochtigen lucht), luchtpijp (lucht transporteren), bronchien (vertakking naar longen), longblaasjes (gaswisseling) (1p). b) Borstademing: tussenribspieren trekken samen, ribben omhoog. Buikademing: middenrif trekt samen, gaat omlaag. Beide vergroten de borstholte waardoor lucht instroomt (1p).
Vraag 7 (2p)
De lever en de nieren spelen een belangrijke rol bij de uitscheiding.
a) Noem twee functies van de lever. (1p)
b) Beschrijf de functie van de nieren bij de uitscheiding. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: afbraak van afval- en gifstoffen, productie van gal, opslag van glycogeen, bewerking van voedingsstoffen (1p). b) De nieren filteren afvalstoffen (zoals ureum) en overtollig water uit het bloed. Dit wordt als urine afgevoerd via urineleiders naar de urineblaas (1p).
Vraag 8 (2p)
Genotmiddelen kunnen schadelijk zijn voor het lichaam.
a) Noem twee schadelijke gevolgen van roken voor het ademhalingsstelsel. (1p)
b) Leg uit welk effect alcohol heeft op de lever. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: beschadiging longblaasjes (longemfyseem), slijmvlies irritatie (bronchitis), verhoogde kans op longkanker, trilharen werken minder goed (1p). b) De lever moet alcohol afbreken. Bij overmatig gebruik raakt de lever beschadigd (levercirrose/vervetting). De lever kan dan andere functies minder goed uitvoeren (1p).
Vraag 9 (2p)
De Schijf van Vijf helpt bij het samenstellen van een gezonde maaltijd.
a) Noem de vijf vakken van de Schijf van Vijf. (1p)
b) Leg uit waarom vezels (voedingsvezels) belangrijk zijn voor de vertering. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Groente en fruit, brood/granen/aardappelen, zuivel/kaas, vlees/vis/ei/noten, vetten/olien/smeervet (1p). b) Vezels stimuleren de darmperistaltiek (de spierbewegingen van de darm), waardoor het voedsel goed door het verteringskanaal wordt getransporteerd en verstopping wordt voorkomen (1p).
Vraag 10 (2p)
Over- en ondervoeding hebben gevolgen voor het lichaam.
a) Leg uit wat het verband is tussen energieverbruik en lichaamsgewicht. (1p)
b) Noem een factor die invloed heeft op je energieverbruik. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Als je meer energie opneemt dan je verbruikt, sla je het overschot op als vet (overgewicht). Als je minder opneemt dan je verbruikt, gebruik je reserves (vermagering) (1p). b) Activiteit/inspanning, omgevingstemperatuur, leeftijd, geslacht (1p).