Oefenexamen VMBO — Geschiedenis (GT)
Eerste Wereldoorlog (1914-1918) — 10 vragen — ca. 20 punten
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen VMBO — Geschiedenis (GT)
Eerste Wereldoorlog (1914-1918) — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
De Eerste Wereldoorlog brak uit in 1914.
a) Noem twee oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. (1p)
b) Wat was de directe aanleiding voor het uitbreken van de oorlog? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: militarisme, nationalisme, imperialisme, bondgenootschappen (wapenwedloop) (1p). b) De moord op kroonprins Frans Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije door Gavrilo Princip in Sarajevo (1914) (1p).
Vraag 2 (2p)
De oorlog verliep anders dan verwacht.
a) Beschrijf wat een loopgravenoorlog is. (1p)
b) Noem twee kenmerken van de Eerste Wereldoorlog die hem tot een 'moderne oorlog' maakten. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Soldaten groeven loopgraven tegenover elkaar; er was nauwelijks terreinwinst, wel enorme verliezen (1p). b) Twee uit: nieuwe wapens (gifgas, tanks, vliegtuigen), totale oorlog (hele samenleving betrokken), propaganda, censuur, veel burgerslachtoffers (1p).
Vraag 3 (2p)
Er waren twee bondgenootschappen.
a) Noem de landen van de Centralen. (1p)
b) Noem de belangrijkste Geallieerden. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Centralen: Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, het Turkse Rijk (1p). b) Geallieerden: Frankrijk, Groot-Brittannie, Rusland (tot 1917), Verenigde Staten (vanaf 1917) (1p).
Vraag 4 (2p)
Nederland bleef neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog.
a) Noem twee gevolgen van de oorlog voor het dagelijks leven in Nederland. (1p)
b) Wat was de Dodendraad? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: schaarste aan goederen, distributiesysteem met bonkaarten, opvang Belgische vluchtelingen, handelsbelemmeringen (1p). b) Een elektrisch geladen prikkeldraad aan de Belgisch-Nederlandse grens, opgezet door de Duitsers om smokkel en vluchtelingen tegen te houden (1p).
Vraag 5 (2p)
In 1917 bereikte Nederland de Pacificatie.
a) Leg uit wat de Pacificatie van 1917 inhield. Noem de twee kwesties die werden opgelost. (1p)
b) Waarom konden deze twee kwesties alleen samen opgelost worden? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De schoolstrijd (gelijke financiering openbaar en bijzonder onderwijs) en de kiesrechtkwestie (algemeen mannenkiesrecht) werden tegelijk opgelost (1p). b) Confessionelen wilden schoolfinanciering, socialisten wilden kiesrecht; door beide samen te regelen kon elke groep iets krijgen — een compromis (1p).
Vraag 6 (2p)
De Grondwet van 1917 bracht belangrijke veranderingen.
a) Welke twee veranderingen bracht de Grondwet van 1917? (1p)
b) In welk jaar kregen vrouwen actief kiesrecht? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Algemeen kiesrecht voor mannen (actief en passief) en vrouwen alleen passief kiesrecht / gelijke bekostiging openbaar en bijzonder onderwijs (1p). b) 1919 (1p).
Vraag 7 (2p)
In 1918 deed Troelstra een revolutiepoging.
a) Beschrijf wat Troelstra deed en waarom het mislukte. (1p)
b) Welk gevolg had de mislukte revolutiepoging? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Troelstra (SDAP) riep op tot een socialistische revolutie, geinspireerd door revoluties in Duitsland en Rusland. Het mislukte omdat de meerderheid van de bevolking en het leger de regering steunde (1p). b) De regering voerde snel sociale hervormingen door (8-urige werkdag, uitbreiding kiesrecht) om revolutie te voorkomen (1p).
Vraag 8 (2p)
De Eerste Wereldoorlog eindigde in 1918.
a) Hoe eindigde de oorlog? (1p)
b) Noem een gevolg van de oorlog voor Europa. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Wapenstilstand op 11 november 1918; Duitsland gaf zich over (1p). b) Bijv. grote verwoesting, miljoenen doden, verdwijning keizerrijken (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland, Turkije), ontstaan nieuwe staten, Verdrag van Versailles (1p).
Vraag 9 (2p)
Zet de volgende gebeurtenissen in chronologische volgorde.
A. Pacificatie (schoolstrijd + kiesrecht)
B. Moord op Frans Ferdinand
C. Vrouwen krijgen actief kiesrecht
D. Wapenstilstand
Antwoord
Maximumscore 2 Juiste volgorde: B (1914), A (1917), D (1918), C (1919) 4 goed = 2p, 3 goed = 1p.
Vraag 10 (2p)
Noem twee personen uit de periode van de Eerste Wereldoorlog en leg uit waarom zij belangrijk waren.
Antwoord
Maximumscore 2 Twee uit (1p per persoon): - Frans Ferdinand: kroonprins Oostenrijk-Hongarije, zijn moord was aanleiding WO1 - Gavrilo Princip: Servische nationalist die Frans Ferdinand doodschoot - Troelstra: Nederlandse socialist die in 1918 een revolutie probeerde