Oefenexamen HAVO — Economie
Ruilen over de tijd & samenwerken (E+F) — 10 vragen — ca. 22 punten
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen HAVO — Economie
Ruilen over de tijd & samenwerken (E+F) — 10 vragen — ca. 22 punten
Vraag 1 (2p)
Gezinnen maken keuzes over sparen en lenen gedurende hun leven.
a) Leg uit hoe het spaar- en leengedrag van een gezin samenhangt met de levensfase. (1p)
b) Leg uit wat tijdsvoorkeur inhoudt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Jong: lenen (studie, huis). Middelbaar: sparen (aflossen, pensioen). Oud: ontsparen (leven van spaargeld/pensioen) (1p). b) Tijdsvoorkeur: de mate waarin iemand voorkeur geeft aan consumptie nu boven consumptie later. Hoge tijdsvoorkeur: liever nu consumeren. Lage tijdsvoorkeur: bereid om te wachten (sparen) (1p).
Vraag 2 (2p)
Rente speelt een centrale rol bij ruilen over de tijd.
a) Leg uit waarom spaarders rente ontvangen en leners rente betalen. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen nominale rente en reele rente. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Rente is de vergoeding voor het beschikbaar stellen van geld (opportunity cost van niet-consumeren). Spaarders ontvangen rente als beloning; leners betalen rente als kosten van het lenen (1p). b) Nominale rente: het percentage dat je ontvangt/betaalt. Reele rente: nominale rente gecorrigeerd voor inflatie (reele rente = nominale rente - inflatie). De reele rente geeft de werkelijke koopkrachtverandering weer (1p).
Vraag 3 (2p)
De samenhang tussen inkomsten, uitgaven en vermogen is belangrijk.
a) Leg uit het verschil tussen inkomsten/uitgaven (stroomgrootheden) en vermogen/schulden (voorraadgrootheden). (1p)
b) Als een gezin maandelijks 500 euro meer verdient dan uitgeeft, wat is dan het effect op het vermogen na een jaar? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Inkomsten/uitgaven: bedragen per periode (per maand/jaar). Vermogen/schulden: bedragen op een bepaald moment (een momentopname). Sparen = inkomsten - uitgaven per periode; dit verandert het vermogen (1p). b) 500 euro x 12 maanden = 6000 euro toename van het vermogen (of afname van de schuld) (1p).
Vraag 4 (2p)
De overheid leent ook geld.
a) Leg uit wat een begrotingstekort is en hoe dit samenhangt met de staatsschuld. (1p)
b) Leg uit waarom een hoge staatsschuld een probleem kan zijn. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Begrotingstekort: de overheid geeft in een jaar meer uit dan ze ontvangt aan belastingen. Het tekort wordt gefinancierd door lenen -> de staatsschuld neemt toe (1p). b) Over de staatsschuld moet rente betaald worden; dat geld kan niet besteed worden aan publieke voorzieningen. Bij een te hoge schuld kan het vertrouwen van financiers afnemen (1p).
Vraag 5 (3p)
Bij samenwerking en onderhandeling spelen strategische overwegingen een rol.
a) Leg uit wat het gevangenendilemma is. (1p)
b) Leg uit wat een Nash-evenwicht is. (1p)
c) Leg uit waarom het Nash-evenwicht in het gevangenendilemma niet het beste resultaat oplevert voor beide spelers samen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Het gevangenendilemma: twee spelers moeten onafhankelijk kiezen. Als beide samenwerken is het gezamenlijke resultaat het best, maar de dominante strategie is om niet samen te werken (1p). b) Nash-evenwicht: een situatie waarin geen enkele speler zijn strategie kan verbeteren door eenzijdig te veranderen, gegeven de strategie van de ander (1p). c) In het Nash-evenwicht kiezen beide spelers hun dominante strategie (niet samenwerken), maar het gezamenlijke resultaat is suboptimaal. Als ze zouden samenwerken, zouden ze er allebei beter van worden (1p).
Vraag 6 (2p)
Meeliftersgedrag is een probleem bij collectieve actie.
a) Leg uit wat meeliftersgedrag (free-riding) inhoudt. (1p)
b) Noem een oplossing voor het meeliftersprobleem. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Meeliftersgedrag: iemand profiteert van de inspanningen/bijdragen van anderen zonder zelf bij te dragen (bijv. niet betalen maar wel profiteren van dijkonderhoud) (1p). b) Bijv. overheid die via belastingen iedereen laat meebetalen (dwang), zelfbinding (afspraken/contracten), sociale druk/sancties (1p).
Vraag 7 (2p)
De arbeidsmarkt is een belangrijk onderwerp bij samenwerken en onderhandelen.
a) Leg uit hoe cao-onderhandelingen verlopen: wie zijn de partijen en waarover onderhandelen ze? (1p)
b) Leg uit waarom het loon op de arbeidsmarkt niet altijd het evenwichtsloon is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vakbonden (werknemers) onderhandelen met werkgeversorganisaties over arbeidsvoorwaarden: loon, werktijden, vakantie, pensioen. De uitkomst is een cao (1p). b) Door minimumloon (boven evenwicht), vakbondsmacht, ontslagbescherming of insider-outsider-probleem kan het loon boven het evenwicht liggen -> werkloosheid (1p).
Vraag 8 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Internationale handel vereist samenwerking en afspraken.
a) Leg uit waarom landen handelsafspraken maken (bijv. EU, WTO). (1p)
b) Leg uit waarom een land soms toch protectionistische maatregelen neemt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Handelsafspraken verlagen handelsbarrieres, bevorderen vrije handel en verhogen de welvaart door specialisatie en efficienter gebruik van productiefactoren (1p). b) Om binnenlandse producenten en werkgelegenheid te beschermen tegen buitenlandse concurrentie (bijv. invoerrechten, subsidies). Kan ook strategisch zijn (infant industry, nationale veiligheid) (1p).
Vraag 9 (2p)
Averechtse selectie is een probleem bij asymmetrische informatie.
a) Leg uit wat averechtse selectie is op de verzekeringsmarkt. (1p)
b) Noem een maatregel om averechtse selectie te beperken. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Mensen met een hoog risico verzekeren zich eerder dan mensen met een laag risico (de verzekeraar kan het risico niet goed inschatten). Hierdoor stijgt de gemiddelde schade en de premie, waardoor lage-risico's afhaken -> spiraal (1p). b) Bijv. verplichte verzekering (iedereen doet mee), medische keuring, wettelijke informatieplicht (1p).
Vraag 10 (2p)
Zelfbinding is een strategie om betere uitkomsten te bereiken.
a) Leg uit wat zelfbinding inhoudt. Geef een economisch voorbeeld. (1p)
b) Leg uit waarom zelfbinding soms nodig is bij het oplossen van het gevangenendilemma. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Zelfbinding: je beperkt bewust je eigen keuzevrijheid om een beter resultaat te bereiken. Bijv. automatisch sparen (je kunt het geld niet direct opnemen), begrotingsregels EU (maximaal tekort 3%) (1p). b) In het gevangenendilemma is de dominante strategie niet-samenwerken. Door zelfbinding (contracten, sancties) verplicht je jezelf om samen te werken, waardoor het gezamenlijke resultaat verbetert (1p).