LessonUp Examentraining
Oefenexamens voor jouw leerlingen!

Oefenexamen HAVO - Orgaan- en organismeniveau (O)

Oefenexamen HAVO — Biologie

Orgaan- en organismeniveau (O) — 10 vragen — ca. 22 punten


1 / 11
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Dit is niet oké

Introductie

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Onderdelen in deze les

Oefenexamen HAVO — Biologie

Orgaan- en organismeniveau (O) — 10 vragen — ca. 22 punten


Vraag 1 (2p)

Bekijk de afbeelding van het menselijk lichaam.
Het lichaam is opgebouwd uit cellen, weefsels, organen en orgaanstelsels.
a) Leg uit de hierarchie: cel -> weefsel -> orgaan -> orgaanstelsel. Geef een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit waarom verstoring van een orgaan gevolgen heeft voor andere orgaanstelsels. (1p)

Vraag 2 (2p)

Bekijk de afbeelding van een plant.
Fotosynthese is de basis voor het leven op aarde.
a) Beschrijf het belang van fotosynthese voor zowel voortgezette assimilatie als dissimilatie. (1p)
b) Noem twee voorwaarden voor fotosynthese en leg uit wat een beperkende factor is. (1p)

Vraag 3 (2p)

Bekijk de afbeelding van het menselijk lichaam.
Bij de ademhaling vindt gaswisseling plaats.
a) Beschrijf de bouw en werking van het ademhalingsstelsel. Noem drie onderdelen. (1p)
b) Leg uit hoe zuurstof van de longen naar de weefsels wordt getransporteerd. (1p)

Vraag 4 (2p)

De vertering breekt voedsel af tot kleine moleculen.
a) Beschrijf de weg van voedsel door het verteringskanaal. Noem vier organen. (1p)
b) Leg uit waarom enzymen specifiek zijn en hoe pH de enzymwerking beinvloedt. (1p)

Vraag 5 (2p)

De nieren spelen een centrale rol bij uitscheiding.
a) Beschrijf de drie stappen van urinevorming in de nier. (1p)
b) Leg uit hoe ADH de waterhuishouding reguleert. (1p)

Vraag 6 (2p)

Bekijk de afbeelding van het menselijk lichaam.
Het hart pompt bloed door het lichaam.
a) Beschrijf de grote en kleine bloedsomloop. (1p)
b) Noem drie bestanddelen van bloed en hun functie. (1p)

Vraag 7 (2p)

Homeostase houdt het inwendig milieu in evenwicht.
a) Leg uit wat een regelkring is. Noem de onderdelen. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen negatieve en positieve terugkoppeling. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)

Vraag 8 (2p)

Het hormoonstelsel reguleert processen in het lichaam.
a) Beschrijf de werking van insuline en glucagon bij bloedsuikerregulatie. (1p)
b) Leg uit hoe de hypothalamus en hypofyse samenwerken. (1p)

Vraag 9 (2p)

Het zenuwstelsel verwerkt prikkels en stuurt responsen aan.
a) Beschrijf het verloop van een reflexboog. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen het somatische en het autonome zenuwstelsel. (1p)

Vraag 10 (2p)

Het immuunsysteem beschermt tegen ziekteverwekkers.
a) Leg uit het verschil tussen aangeboren en verworven afweer. (1p)
b) Leg uit waarom vaccinatie bescherming biedt. (1p)