Oefenexamen VMBO — Economie (GT)
Overheid, belastingen & inflatie — 10 vragen — ca. 20 punten
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen VMBO — Economie (GT)
Overheid, belastingen & inflatie — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
De overheid heeft verschillende functies in de economie.
a) Noem drie functies van de overheid in de Nederlandse economie. (1p)
b) Geef bij een van de functies een concreet voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: leverancier van goederen/diensten (onderwijs, wegen), herverdeling van inkomen (belastingen, uitkeringen), ordening (wetten, regels), stabilisatie (conjunctuurbeleid) (1p). b) Bijv. de overheid bouwt wegen (leverancier), geeft uitkeringen aan werklozen (herverdeling), stelt milieuwetten op (ordening) (1p).
Vraag 2 (2p)
De overheid haalt geld binnen via belastingen.
a) Leg uit het verschil tussen directe en indirecte belastingen. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit wat loonheffing is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Direct: belasting op inkomen/winst (loon-/inkomstenbelasting). Indirect: belasting op goederen/diensten (BTW/omzetbelasting, accijns) (1p). b) Loonheffing: de loonbelasting en premies volksverzekeringen die je werkgever inhoudt op je bruto loon voordat je je netto loon ontvangt (1p).
Vraag 3 (2p)
De overheid geeft geld uit aan verschillende doelen.
a) Noem twee belangrijke uitgavenposten van de rijksoverheid. (1p)
b) Leg uit wat er gebeurt als de overheid meer uitgeeft dan zij ontvangt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: onderwijs, gezondheidszorg, defensie, sociale zekerheid, infrastructuur, politie/justitie (1p). b) Er ontstaat een begrotingstekort. Als dit jaar na jaar doorgaat, groeit de staatsschuld (de totale schuld van de overheid) (1p).
Vraag 4 (2p)
De overheid zorgt voor sociale zekerheid.
a) Leg uit wat het doel is van het sociale zekerheidsstelsel. (1p)
b) Noem twee voorbeelden van sociale verzekeringen of voorzieningen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bestaanszekerheid bieden aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien + inkomensherverdeling (verkleinen verschil arm-rijk) (1p). b) Twee uit: WW (werkloosheid), AOW (ouderdom), bijstand, WIA/WAO (arbeidsongeschiktheid), kinderbijslag, zorgtoeslag (1p).
Vraag 5 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De overheid heft loon- en inkomstenbelasting.
a) Leg uit wat progressieve belasting inhoudt. (1p)
b) Waarom is het netto-inkomen altijd lager dan het bruto-inkomen? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Progressieve belasting: hoe hoger je inkomen, hoe hoger het belastingpercentage dat je betaalt. Mensen met hogere inkomens betalen relatief meer belasting (1p). b) Van het bruto-inkomen worden loonbelasting en premies volksverzekeringen afgetrokken. Wat overblijft is het netto-inkomen (1p).
Vraag 6 (2p)
De waarde van geld kan veranderen.
a) Leg uit wat inflatie is. (1p)
b) Leg uit hoe inflatie gemeten wordt met het consumentenprijsindexcijfer (CPI). (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Inflatie: een algemene stijging van het prijspeil — het geld wordt minder waard (je kunt minder kopen voor hetzelfde bedrag) (1p). b) Het CPI meet de gemiddelde prijsverandering van een 'mandje' met goederen en diensten die een gemiddeld huishouden koopt. Als het CPI stijgt van 100 naar 103, is de inflatie 3% (1p).
Vraag 7 (2p)
Bij inflatie verliest geld aan waarde.
a) Noem twee oorzaken van inflatie. (1p)
b) Leg uit wat prijscompensatie is en waarom werknemers hierom vragen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: stijgende kosten (grondstoffen duurder), te veel geld in omloop, stijgende lonen, stijgende vraag (overbesteding) (1p). b) Prijscompensatie: loonsverhoging die gelijk is aan de inflatie, zodat de koopkracht van het loon gelijk blijft. Werknemers vragen hierom om er niet op achteruit te gaan (1p).
Vraag 8 (2p)
Indexcijfers worden gebruikt om veranderingen te meten.
a) Leg uit wat een indexcijfer is. (1p)
b) In het basisjaar kost een product 50 euro (index = 100). Nu kost het 55 euro. Bereken het indexcijfer. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Een indexcijfer is een getal dat de verandering van een grootheid (prijs, loon, productie) uitdrukt ten opzichte van een basisjaar (index 100) (1p). b) (55/50) x 100 = 110 (het product is 10% duurder geworden) (1p).
Vraag 9 (2p)
Er bestaan verschillende marktvormen.
a) Leg uit het verschil tussen een concrete markt en een abstracte markt. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een monopolie en volkomen concurrentie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Concrete markt: een fysieke plaats waar kopers en verkopers samenkomen (bijv. weekmarkt). Abstracte markt: het geheel van vraag en aanbod voor een product, zonder vaste plaats (bijv. de woningmarkt) (1p). b) Monopolie: een aanbieder, geen concurrentie, kan zelf de prijs bepalen. Volkomen concurrentie: veel aanbieders met hetzelfde product, niemand kan de prijs beinvloeden (1p).
Vraag 10 (2p)
De overheid probeert de economie te stabiliseren.
a) Noem een maatregel die de overheid kan nemen bij een economische crisis. (1p)
b) Leg uit waarom een hoge staatsschuld een probleem kan zijn. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bijv. meer overheidsuitgaven (investeringen in infrastructuur), belastingverlaging, extra uitkeringen (stimuleringsbeleid) (1p). b) Over de staatsschuld moet rente betaald worden; dat geld kan dan niet besteed worden aan onderwijs, zorg etc. Bij een te hoge schuld verliest de overheid het vertrouwen van geldverstrekkers (1p).