Oefenexamen VMBO — Geschiedenis (GT)
Interbellum (1918-1939) — 10 vragen — ca. 20 punten
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen VMBO — Geschiedenis (GT)
Interbellum (1918-1939) — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
Na de Eerste Wereldoorlog werd het Verdrag van Versailles gesloten.
a) Noem twee bepalingen van het Verdrag van Versailles. (1p)
b) Waarom ervoer Duitsland het verdrag als een vernedering? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: oorlogsschuld (artikel 231), herstelbetalingen, gebiedsverlies, beperking leger, demilitarisatie Rijnland (1p). b) Duitsland werd als enige schuldig verklaard aan de oorlog en kreeg zware straffen opgelegd (Diktat) (1p).
Vraag 2 (2p)
De Weimarrepubliek had grote problemen.
a) Leg uit wat de Dolchstosslegende inhield. (1p)
b) Noem twee economische crises die de Weimarrepubliek verzwakten. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Het idee dat het Duitse leger niet verslagen was maar 'in de rug gestoken' door politici en Joden die de wapenstilstand tekenden (1p). b) Hyperinflatie (1923) en de Beurskrach/Grote Depressie (1929) (1p).
Vraag 3 (2p)
In 1933 kwam Hitler aan de macht.
a) Beschrijf twee manieren waarop Hitler zijn macht vestigde. (1p)
b) Noem twee kenmerken van de totalitaire staat die Hitler opbouwde. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: machtigingswet (regeren zonder parlement), afschaffing andere partijen, Rijksdagbrand als excuus, gelijkschakeling (1p). b) Twee uit: dictatuur/Fuhrerprinzip, terreur/geheime politie (Gestapo), propaganda (Goebbels), censuur, rassenwetten, concentratiekampen, Hitlerjugend (1p).
Vraag 4 (2p)
Bekijk de afbeelding van een Holocaustmonument.
Het nationaalsocialisme was gebaseerd op rassenleer.
a) Beschrijf twee discriminerende maatregelen die de nazi's namen tegen Joden. (1p)
b) Wanneer vond de Kristallnacht plaats en wat gebeurde er? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: rassenwetten/Neurenberger wetten (verlies burgerrechten), boycot Joodse winkels, verplicht Jodenster dragen, uitsluiting van beroepen en onderwijs (1p). b) 9-10 november 1938: synagoges werden verbrand, Joodse winkels vernield, massale arrestaties (1p).
Vraag 5 (2p)
De Sovjet-Unie was een ander voorbeeld van een totalitaire staat.
a) Noem drie kenmerken van het stalinisme. (1p)
b) Noem een overeenkomst en een verschil tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: communisme, eenpartijstaat, planeconomie, collectivisatie, persoonsverheerlijking, propaganda, terreur, geheime politie, strafkampen (1p). b) Overeenkomst: beide totalitair (propaganda, terreur, geen democratie). Verschil: nazi's waren extreemrechts (racisme), Sovjet-Unie extreemlinks (communisme) (1p).
Vraag 6 (2p)
Nederland had in de jaren '30 te maken met een economische crisis.
a) Noem twee gevolgen van de crisis voor Nederland. (1p)
b) Wie was Hendrik Colijn en welk beleid voerde hij? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: werkloosheid, armoede, stempelen (uitkering halen), werkverschaffingsprojecten (1p). b) Colijn was minister-president; hij voerde een aanpassingsbeleid: bezuinigen en geen extra geld uitgeven (geen stimuleringsbeleid) (1p).
Vraag 7 (2p)
In Nederland ontstond de NSB.
a) Wie was de leider van de NSB? (1p)
b) Waarom kreeg de NSB aanvankelijk steun? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Anton Mussert (1p). b) Door de economische crisis waren mensen ontevreden over de democratie; de NSB beloofde orde, werk en een sterk leiderschap (naar voorbeeld van Hitler en Mussolini) (1p).
Vraag 8 (2p)
Groot-Brittannie en Frankrijk probeerden oorlog te voorkomen met appeasementpolitiek.
a) Leg uit wat appeasementpolitiek inhield. (1p)
b) Noem een concreet voorbeeld van appeasement. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Toegeven aan de eisen van Hitler om oorlog te voorkomen (1p). b) Conferentie van Munchen (1938): Groot-Brittannie en Frankrijk stemden in met de Duitse bezetting van het Sudetenland (Tsjechoslowakije) (1p).
Vraag 9 (2p)
In 1919 kregen vrouwen in Nederland actief kiesrecht.
a) Wat is het verschil tussen actief en passief kiesrecht? (1p)
b) Waarom was 1919 een belangrijk jaar voor de vrouwenemancipatie? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Actief kiesrecht: zelf stemmen. Passief kiesrecht: je verkiesbaar stellen (gekozen worden) (1p). b) Vrouwen kregen voor het eerst actief kiesrecht — ze mochten zelf stemmen bij verkiezingen (1p).
Vraag 10 (2p)
Noem drie personen uit het interbellum en plaats ze in de tijd.
Antwoord
Maximumscore 2 Drie uit (samen 2p): - Hitler: leider nazi-Duitsland, aan de macht 1933 - Mussolini: leider fascistisch Italie - Stalin: leider Sovjet-Unie - Colijn: Nederlandse minister-president in de crisisjaren - Mussert: leider NSB in Nederland