Oefenexamen HAVO — Economie
Markt & risico (D+G) — 10 vragen — ca. 24 punten
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen HAVO — Economie
Markt & risico (D+G) — 10 vragen — ca. 24 punten
Vraag 1 (3p)
Op een markt komen vraag en aanbod samen.
a) Leg uit waarom de vraaglijn daalt en de aanbodlijn stijgt. (1p)
b) Leg uit wat er op een markt gebeurt als de prijs boven de evenwichtsprijs ligt. (1p)
c) Beschrijf wat er met het marktevenwicht gebeurt als het inkomen van consumenten stijgt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Vraaglijn daalt: bij hogere prijs kopen consumenten minder (wet van de afnemende meeropbrengst/substitutie). Aanbodlijn stijgt: bij hogere prijs zijn producenten bereid meer aan te bieden (hogere winstmarge) (1p). b) Bij een prijs boven evenwicht: aanbodoverschot (Qa > Qv). Producenten verlagen de prijs om hun voorraad kwijt te raken -> prijs daalt richting evenwicht (1p). c) Hoger inkomen -> vraaglijn verschuift naar rechts -> bij zelfde aanbod stijgt de evenwichtsprijs en -hoeveelheid (1p).
Vraag 2 (2p)
Prijselasticiteit meet hoe gevoelig de vraag is voor prijsveranderingen.
a) Leg uit wat een prijselasticiteit van -0,5 betekent. (1p)
b) Noem een product met een lage prijselasticiteit en leg uit waarom. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Als de prijs met 1% stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 0,5%. De vraag is inelastisch (minder dan proportionele reactie) (1p). b) Bijv. benzine of brood: noodzakelijke goederen waarvoor weinig substitutiemogelijkheden zijn; consumenten blijven kopen ondanks prijsstijging (1p).
Vraag 3 (3p)
Een bedrijf heeft kosten en opbrengsten.
a) Leg uit het verschil tussen constante kosten en variabele kosten. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Hoe bereken je de gemiddelde totale kosten (GTK)? (1p)
c) Leg uit wanneer een bedrijf break-even draait. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Constante kosten: veranderen niet met productieomvang (huur, afschrijving). Variabele kosten: veranderen met productieomvang (grondstoffen, arbeidsloon per stuk) (1p). b) GTK = totale kosten / productieomvang = (TCK + TVK) / Q (1p). c) Break-even: de opbrengst is gelijk aan de kosten (winst = 0). Dit is het punt waar de prijs gelijk is aan de gemiddelde totale kosten (P = GTK) (1p).
Vraag 4 (2p)
Op een markt kunnen verschillende marktvormen voorkomen.
a) Leg uit het verschil tussen volkomen concurrentie en een monopolie. (1p)
b) Leg uit wat marktmacht inhoudt en waarom dit nadelig kan zijn voor consumenten. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Volkomen concurrentie: veel aanbieders, homogeen product, geen invloed op prijs. Monopolie: een aanbieder, geen concurrentie, bepaalt zelf de prijs (1p). b) Marktmacht: een aanbieder kan de prijs beinvloeden (boven de kosten houden). Nadelig: hogere prijzen en minder keuze voor consumenten (1p).
Vraag 5 (2p)
Op een markt kunnen externe effecten optreden.
a) Leg uit het verschil tussen positieve en negatieve externe effecten. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Noem een maatregel die de overheid kan nemen bij een negatief extern effect. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Negatief: schade voor derden die niet in de prijs is verwerkt (bijv. luchtvervuiling door fabriek). Positief: voordeel voor derden (bijv. imker die bijen houdt -> bestuiving bij de buurman) (1p). b) Bijv. belasting/heffing op vervuiling, vergunningenstelsel, emissiehandel, subsidie op schone alternatieven (1p).
Vraag 6 (2p)
De overheid kan ingrijpen op markten.
a) Noem twee redenen waarom de overheid ingrijpt op markten (marktfalen). (1p)
b) Leg uit wat het verschil is tussen consumentensurplus en producentensurplus. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: externe effecten, onvolledige mededinging (marktmacht), collectieve goederen, asymmetrische informatie (1p). b) Consumentensurplus: het verschil tussen wat consumenten bereid zijn te betalen en wat ze werkelijk betalen. Producentensurplus: het verschil tussen de prijs en de minimale prijs waartegen producenten bereid zijn te verkopen (1p).
Vraag 7 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
Risico speelt een rol bij economische beslissingen.
a) Leg uit wat asymmetrische informatie is en waarom dit een probleem kan zijn op een markt. (1p)
b) Geef een voorbeeld van asymmetrische informatie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Asymmetrische informatie: de ene partij bij een transactie weet meer dan de andere. Dit kan leiden tot verkeerde keuzes (averechtse selectie) of ongewenst gedrag (moral hazard) (1p). b) Bijv. tweedehandsautomarkt (verkoper weet meer over gebreken), verzekeringsmarkt (verzekerde kent eigen risico beter), arbeidsmarkt (sollicitant kent eigen capaciteiten) (1p).
Vraag 8 (2p)
Verzekeren is een manier om risico te beperken.
a) Leg uit waarom mensen zich verzekeren. (1p)
b) Leg uit wat moral hazard is bij verzekeringen en noem een maatregel ertegen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Door zich te verzekeren spreiden mensen het risico van grote financiele schade over een groep; in ruil voor premie wordt de schade vergoed (1p). b) Moral hazard: na het afsluiten van een verzekering gaat de verzekerde zich risicovoller gedragen (minder voorzichtig), omdat de schade toch vergoed wordt. Maatregel: eigen risico (1p).
Vraag 9 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
Collectieve goederen zijn een voorbeeld van marktfalen.
a) Leg uit wat een collectief goed is en noem twee kenmerken. (1p)
b) Waarom kan de markt collectieve goederen niet efficien leveren? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Collectief goed: een goed dat voor iedereen beschikbaar is. Kenmerken: niet-uitsluitbaar (je kunt niemand uitsluiten van gebruik) en niet-rivaliserend (gebruik door de een gaat niet ten koste van de ander). Bijv. dijken, straatverlichting (1p). b) Omdat je niemand kunt uitsluiten, wil niemand vrijwillig betalen (free-rider gedrag). Daarom moet de overheid deze goederen leveren en via belastingen financieren (1p).
Vraag 10 (2p)
Een producent wil zijn winst maximaliseren.
a) Leg uit bij welke conditie een producent zijn winst maximaliseert (gebruik de begrippen MO en MK). (1p)
b) Leg uit waarom een producent op korte termijn soms met verlies doorproduceert. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Winstmaximalisatie bij MO = MK (marginale opbrengst = marginale kosten). Zolang MO > MK levert extra productie meer op dan het kost (1p). b) Als de prijs hoger is dan de gemiddelde variabele kosten (P > GVK) dekt de producent een deel van de constante kosten. Stoppen zou meer verlies opleveren (constante kosten lopen door) (1p).