Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)
Zintuigen, zenuwstelsel & hormonen — 10 vragen — ca. 20 punten
Les van LessonUp Examentraining
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)
Zintuigen, zenuwstelsel & hormonen — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
Het zenuwstelsel stuurt het lichaam aan.
a) Noem de vier onderdelen van het centraal zenuwstelsel en beschrijf hun functie. (1p)
b) Beschrijf de bouw van een zenuwcel (neuron). (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Grote hersenen (bewustzijn, waarneming, bewuste beweging), kleine hersenen (coordinatie bewegingen), hersenstam (reflexen, verbinding met ruggenmerg), ruggenmerg (reflexen, verbinding organen-hersenen) (1p). b) Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam en uitlopers. Via de uitlopers worden impulsen (signalen) doorgegeven aan andere zenuwcellen of spieren (1p).
Vraag 2 (2p)
Een reflex is een snelle, onbewuste reactie op een prikkel.
a) Leg uit waarom reflexen belangrijk zijn voor het lichaam. Geef een voorbeeld. (1p)
b) Noem twee voorbeelden van reflexen bij de mens. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Reflexen beschermen het lichaam tegen beschadiging. Bijv. je trekt je hand terug als je iets heets aanraakt, voordat je de pijn bewust voelt (1p). b) Twee uit: terugtrekreflex, kniepeesreflex, pupilreflex, strekreflex (1p).
Vraag 3 (2p)
Het oog is een belangrijk zintuig.
a) Noem vier onderdelen van het oog en beschrijf hun functie. (1p)
b) Leg uit hoe het oog scherp kan zien op verschillende afstanden. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vier uit: hoornvlies (bescherming, lichtbreking), iris (regelt hoeveelheid licht via pupil), lens (scherpstellen), netvlies (zintuigcellen die licht opvangen), oogzenuw (signalen naar hersenen) (1p). b) De lens kan van vorm veranderen (accommoderen): voor dichtbij wordt de lens boller, voor veraf platter. Zo valt het beeld altijd scherp op het netvlies (1p).
Vraag 4 (2p)
Het oor vangt geluid op.
a) Beschrijf de weg van geluid door het oor, van oorschelp tot hersenen. (1p)
b) Welk deel van het oor is ook belangrijk voor het evenwicht? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Oorschelp vangt geluid op -> gehoorgang -> trommelvlies trilt -> gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel) versterken de trilling -> slakkenhuis met zintuigcellen -> gehoorzenuw -> hersenen (1p). b) Het evenwichtsorgaan (in het binnenoor, naast het slakkenhuis) (1p).
Vraag 5 (2p)
De huid heeft meerdere functies.
a) Noem de drie lagen van de huid en beschrijf van elk een functie. (1p)
b) Leg uit hoe de huid bijdraagt aan de temperatuurregeling van het lichaam. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Opperhuid (bescherming tegen infecties, uitdroging, UV-straling door pigment). Lederhuid (zintuigen, zweetklieren, haarzakjes, bloedvaten). Onderhuids bindweefsel (isolatie door vetcellen, energieopslag) (1p). b) Bij warmte: bloedvaten verwijden (warmte afgeven), zweten (verdamping koelt). Bij koude: bloedvaten vernauwen (warmte vasthouden), kippenvel (haren rechtop, isolatie) (1p).
Vraag 6 (2p)
Prikkels uit de omgeving worden door zintuigen omgezet in signalen.
a) Leg uit wat er gebeurt als een prikkel door een zintuig wordt waargenomen. (1p)
b) Leg uit wat een drempelwaarde is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De prikkel wordt door zintuigcellen omgezet in een impuls (elektrisch signaal). Deze impuls wordt via zenuwen naar het centraal zenuwstelsel geleid, waardoor waarneming kan plaatsvinden (1p). b) De drempelwaarde is de minimale sterkte die een prikkel moet hebben om door een zintuig te worden waargenomen. Onder de drempelwaarde merk je de prikkel niet (1p).
Vraag 7 (2p)
Hormonen regelen processen in het lichaam.
a) Noem drie hormoonklieren en beschrijf welk hormoon ze produceren en wat de functie ervan is. (1p)
b) Leg uit het verschil in werking tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: eilandjes van Langerhans (insuline/glucagon, bloedsuiker regelen), bijnieren (adrenaline, voorbereiding op actie), eierstokken/teelballen (geslachtshormonen, puberteit), schildklier (schildklierhormoon, stofwisseling) (1p). b) Zenuwstelsel: snel, kortstondig, via elektrische impulsen. Hormoonstelsel: langzamer, langer werkend, via bloed (hormonen) (1p).
Vraag 8 (2p)
Insuline en glucagon regelen de bloedsuikerspiegel.
a) Leg uit wat er gebeurt als de bloedsuikerspiegel te hoog is. (1p)
b) Leg uit wat diabetes is en wat het verband is met insuline. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De eilandjes van Langerhans in de alvleesklier maken insuline aan. Insuline zorgt ervoor dat glucose uit het bloed wordt opgenomen in de cellen en opgeslagen als glycogeen -> bloedsuiker daalt (1p). b) Bij diabetes maakt het lichaam te weinig of geen insuline (type 1) of reageren de cellen niet goed op insuline (type 2). Hierdoor blijft de bloedsuikerspiegel te hoog, wat schadelijk is voor het lichaam (1p).
Vraag 9 (2p)
Adrenaline wordt geproduceerd door de bijnieren.
a) Beschrijf drie effecten van adrenaline op het lichaam. (1p)
b) In welke situaties maakt het lichaam adrenaline aan? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: hartslag versnelt, ademhaling versnelt, bloedsuiker stijgt, bloedvaten in spieren verwijden, pupillen vergroten (1p). b) Bij schrik, angst, spanning of gevaar — het lichaam wordt voorbereid op actie (vluchten of vechten) (1p).
Vraag 10 (2p)
Tijdens de puberteit verandert het lichaam door geslachtshormonen.
a) Noem twee secundaire geslachtskenmerken bij jongens en twee bij meisjes. (1p)
b) Welke hormoonklieren produceren de geslachtshormonen? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Jongens: baardgroei, zwaardere stem, spiermassa. Meisjes: borstontwikkeling, bredere heupen, menstruatie (1p voor twee per geslacht). b) Teelballen (testosteron) bij jongens, eierstokken (oestrogeen/progesteron) bij meisjes (1p).