Oefenexamen VWO — Biologie
Orgaan- en organismeniveau (O) — 10 vragen — ca. 25 punten
Les van LessonUp Examentraining
In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Oefenexamen VWO — Biologie
Orgaan- en organismeniveau (O) — 10 vragen — ca. 25 punten
Vraag 1 (2p)
Bekijk de afbeelding van een menselijk orgaan.
Het menselijk lichaam is opgebouwd uit cellen, weefsels, organen en orgaanstelsels.
a) Leg uit hoe cellen door hun rangschikking een weefsel vormen en hoe weefsels samen een orgaan vormen. (1p)
b) Leg uit waarom verstoring van een orgaan gevolgen heeft voor andere orgaanstelsels. Geef een voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Cellen met dezelfde functie vormen een weefsel (bijv. spierweefsel). Verschillende weefsels samen vormen een orgaan (bijv. hart = spierweefsel + bindweefsel + zenuwweefsel) (1p). b) Orgaanstelsels werken samen; als het hart faalt, krijgen andere organen onvoldoende zuurstof via het bloed (1p).
Vraag 2 (3p)
Bekijk de afbeelding van een plant.
Fotosynthese is de basis voor het leven op aarde.
a) Noem twee voorwaarden voor fotosynthese in planten. (1p)
b) Leg uit wat een beperkende factor is en geef een voorbeeld bij fotosynthese. (1p)
c) Beschrijf het belang van fotosynthese als basis voor zowel voortgezette assimilatie als dissimilatie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Twee uit: licht, CO2, water, chlorofyl/chloroplasten (1p). b) Beperkende factor: de factor die het meest tekortschiet en daardoor het tempo van het proces bepaalt. Bijv. bij weinig licht is licht de beperkende factor; bij veel licht kan CO2-concentratie beperkend worden (1p). c) Glucose uit fotosynthese wordt gebruikt voor voortgezette assimilatie (omzetting in aminozuren, vetzuren, cellulose etc.) en voor dissimilatie (afbraak voor energie/ATP) (1p).
Vraag 3 (3p)
Bekijk de afbeelding van een menselijk orgaan.
Bij de ademhaling vindt gaswisseling plaats in de longen.
a) Beschrijf hoe de longventilatie tot stand komt (in- en uitademing). (1p)
b) Leg uit hoe zuurstof en CO2 worden uitgewisseld in de longblaasjes. Gebruik het begrip diffusie. (1p)
c) Leg uit wat het Bohr-effect inhoudt en waarom dit belangrijk is voor het lichaam. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Inademing: middenrif daalt, tussenribspieren trekken samen -> borstholte vergroot -> onderdruk -> lucht stroomt in. Uitademing: omgekeerd, passief (1p). b) In longblaasjes is O2-concentratie hoog en CO2-concentratie laag (t.o.v. bloed). Door diffusie gaat O2 naar bloed en CO2 naar longblaasjes (concentratieverschil, wet van Fick) (1p). c) Bohr-effect: bij hogere CO2-concentratie (in weefsels) geeft hemoglobine makkelijker O2 af. Dit zorgt ervoor dat actieve weefsels meer O2 krijgen (1p).
Vraag 4 (2p)
De vertering van voedsel is een samenspel van mechanische en chemische processen.
a) Leg uit het verschil tussen mechanische en chemische vertering. Noem bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit waarom enzymen specifiek zijn en hoe temperatuur en pH de enzymwerking beinvloeden. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Mechanisch: voedsel wordt verkleind (kauwen, darmperistaltiek). Chemisch: voedingsstoffen worden afgebroken door enzymen (bijv. amylase splitst zetmeel, pepsine splitst eiwitten) (1p). b) Enzymen zijn specifiek door hun 3D-vorm (sleutel-slotmodel, enzymsubstraatcomplex). Temperatuur: bij optimum maximale activiteit, bij te hoog denaturatie. pH: elk enzym heeft een optimale pH (1p).
Vraag 5 (3p)
De nieren spelen een centrale rol bij de uitscheiding en waterhuishouding.
a) Beschrijf de drie stappen van urine-vorming in de nier. (2p)
b) Leg uit hoe het hormoon ADH de waterhuishouding reguleert. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Stap 1: ultrafiltratie in de glomerulus (bloed wordt gefilterd in kapsel van Bowman, kleine moleculen passeren) (1p). Stap 2: terugresorptie in de nierbuisjes (nuttige stoffen als glucose, aminozuren, water worden teruggenomen). Stap 3: restproduct = urine (ureum, overtollig water, zouten) (1p). b) Bij te weinig water: hypothalamus detecteert hoge osmotische waarde -> hypofyse geeft ADH af -> nierbuisjes worden doorlaatbaarder voor water -> meer water terug geresorbeerd -> geconcentreerde urine (1p).
Vraag 6 (2p)
Bekijk de afbeelding van een menselijk orgaan.
Het hart is de motor van het bloed-transportsysteem.
a) Beschrijf de weg van het bloed door de grote en kleine bloedsomloop. (1p)
b) Leg uit waarom het bloed in slagaders onder hogere druk staat dan in aders. Noem het tegenstroomprincipe. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Kleine bloedsomloop: rechterhartkamer -> longslagader -> longen (gaswisseling) -> longader -> linkerboezem. Grote bloedsomloop: linkerhartkamer -> aorta -> lichaam (organen) -> holle ader -> rechterboezem (1p). b) Slagaders transporteren bloed weg van het hart onder hoge druk (elastische wand, hartslag). Aders voeren bloed terug onder lage druk (kleppen voorkomen terugstroming). Tegenstroomprincipe: in haarvaten stroomt bloed en weefselvloeistof in tegengestelde richting, waardoor uitwisseling efficienter is (1p).
Vraag 7 (3p)
Homeostase houdt het inwendig milieu van het lichaam in evenwicht.
a) Leg uit wat een regelkring is. Noem de onderdelen (sensor, regelcentrum, effector). (1p)
b) Leg uit het verschil tussen negatieve en positieve terugkoppeling. Geef bij elk een voorbeeld. (2p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Regelkring: sensor meet de waarde van een variabele -> regelcentrum vergelijkt met streefwaarde -> effector corrigeert de afwijking (1p). b) Negatieve terugkoppeling: het effect remt de oorzaak (stabiliserend). Bijv. hoge bloedsuikerspiegel -> insuline -> daling bloedsuiker -> minder insuline (1p). Positieve terugkoppeling: het effect versterkt de oorzaak (destabiliserend). Bijv. bij bevalling: oxytocine -> weeen -> meer oxytocine (1p).
Vraag 8 (2p)
Het hormoonstelsel en het zenuwstelsel werken samen bij de regulatie van het lichaam.
a) Leg uit hoe de hypothalamus en hypofyse samenwerken in de hormonale regulatie. (1p)
b) Beschrijf de werking van insuline en glucagon bij de bloedsuikerregulatie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De hypothalamus ontvangt signalen en stuurt de hypofyse aan via releasing hormonen. De hypofyse geeft vervolgens hormonen af die andere hormoonklieren stimuleren (bijv. TSH -> schildklier, FSH/LH -> geslachtsklieren) (1p). b) Insuline (eilandjes van Langerhans): verlaagt bloedsuiker door glucose-opname in cellen te stimuleren en glycogeenvorming. Glucagon: verhoogt bloedsuiker door glycogeen af te breken tot glucose. Negatieve terugkoppeling houdt evenwicht (1p).
Vraag 9 (3p)
Het zenuwstelsel verwerkt prikkels en stuurt responsen aan.
a) Beschrijf het verloop van een reflexboog. Noem de onderdelen. (1p)
b) Leg uit hoe een actiepotentiaal wordt opgewekt en voortgeleid langs een zenuwvezel. (1p)
c) Leg uit het verschil tussen het somatische en het autonome zenuwstelsel. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Prikkel -> receptor -> sensorisch neuron -> schakelcentrum (ruggenmerg) -> motorisch neuron -> effector (spier/klier) -> respons (1p). b) In rust: rustpotentiaal (Na+ buiten, K+ binnen, -70mV). Bij prikkel boven prikkeldrempel: Na+-kanalen openen -> depolarisatie -> actiepotentiaal. Voortgeleiding: spongsgewijze bij gemyeliniseerde vezels (snel) (1p). c) Somatisch: willekeurig, stuurt skeletspieren aan. Autonoom: onwillekeurig, stuurt inwendige organen aan (sympathisch = actie, parasympathisch = rust) (1p).
Vraag 10 (3p)
Het immuunsysteem beschermt het lichaam tegen ziekteverwekkers.
a) Leg uit het verschil tussen aangeboren (niet-specifieke) en verworven (specifieke) afweer. (1p)
b) Beschrijf de rol van T-helpercellen en B-cellen bij de specifieke afweer. (1p)
c) Leg uit waarom vaccinatie bescherming biedt tegen een ziekte. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Aangeboren: eerste verdedigingslinie, niet gericht op specifieke ziekteverwekker (huid, slijmvliezen, macrofagen). Verworven: gericht op specifiek antigeen, maakt antistoffen, heeft geheugen (1p). b) T-helpercellen herkennen antigeen (via MHC) en activeren B-cellen. B-cellen differentieren tot plasmacellen die antistoffen produceren (humorale respons) en geheugencellen (1p). c) Bij vaccinatie wordt een verzwakte/dode ziekteverwekker toegediend. Het immuunsysteem maakt antistoffen en geheugencellen. Bij echte infectie reageert het systeem sneller en sterker (actieve immuniteit) (1p).