Yvonne Wielaard
Lessen: Natuur en Zorg - Mentor - L.O.

Soort vraag-Terugkijken na een toets

Soort vraag herkennen (slide 2 t/m 12)
Terugkijken na een toets (slide 13 t/m 20) + zie ook Excelformulier
Nz - Bi: Wld 
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavo, havo, vwoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Soort vraag herkennen (slide 2 t/m 12)
Terugkijken na een toets (slide 13 t/m 20) + zie ook Excelformulier
Nz - Bi: Wld 

Slide 1 - Tekstslide

Welk soort vragen ken jij?

Slide 2 - Woordweb

Open vragen
Gesloten vragen
Leguit vragen
Toepassingsvragen
Inzichtvragen
Reproductie vragen

Waar nietwaar vragen
Invul vragen
Rangschik vragen
feiten-kennis
Evaluatie vragen
Voorbeelden van soorten vragen 1
Meerkeuze vragen
Voorbeelden van soorten vragen 2

Slide 3 - Tekstslide

Waarom zijn er verschillende
soorten vragen?

Slide 4 - Woordweb

Soort vragen
Het is handig te weten wat voor soort vragen er zijn
Het is handig te weten 
 hoe je je kunt voorbereiden op de vragen 
en welke aanpak jij gebruikt bij een vraag
Vragen kunnen duidelijk maken of je:

R.   feiten kent / geleerd hebt

T1.  vragen kunt beantwoorden die je 
       tijdens de les al hebt geoefend

T2. vragen kunt beantwoorden die net iets
      anders zijn dan die je hebt geoefend

I.    vragen kunt beantwoorden waarbij je 
      je kennis moet gebruiken en zelf moet
      ontdekken hoe je dat moet doen. 

Slide 5 - Tekstslide


Onthouden / Leren

-  Feiten
-  Woordjes
-  Formules
-  Begrippen
-  ........

- Wanneer werd de € ingevoerd?

- Vertaal van Ne           En

- (Afbeelding) Welk nr. is het spaakbeen?

- Wat is de X-as? 


R = Reproductievragen
Voorbeelden

Slide 6 - Tekstslide


Je maakt
vragen - oefeningen die 
in de les zijn voorgedaan. 

Je herkent de 
vragen / oefening
Je hebt een formule geleerd:
- 12 % van 200
- de lengte van de schuine zijde is .....

Je hebt woordjes geleerd:
- Je maakt zinnen met de woordjes

Je hebt soorten gewrichten getekend:
-  Teken een 'kogelgewricht'





T1 - Toepassingsvragen
Voorbeelden

Slide 7 - Tekstslide


Je maakt 
vragen - oefeningen 
in een nieuwe situatie

Je begrijpt wat je geleerd hebt en je past dat toe in nieuwe situaties.
- Je hebt het skelet van de mens geleerd.
   Welk nummer is het spaakbeen in de
   afbeelding van het skelet van de hond?

- Je omschrijft iets in eigen woorden

- Je legt een feitelijk verband:
   'Wat was de betekenis van Willem van 
   oranje voor Nederland'


T2 - Toepassingsvragen
Voorbeelden

Slide 8 - Tekstslide


Je geeft een voorbeeld of je legt iets uit  
wat NIET tijdens de les besproken is.

Je lost een complex vraagstuk op
- Welke factoren zijn van invloed op de
   toename van de conditie van 70+-ers?

- Hoe komt het dat er meer voedselver- 
   giftiging voorkomt in de zomer?

- Hoe is het Koningkrijk der Nederlanden
   ontstaan?


I- Inzichtvragen
Voorbeelden

Slide 9 - Tekstslide

Je hebt het bovenste deel
 van de luchtwegen van 
de mens geleerd.

Dit heb je al 
geoefend tijdens de les
Leguit vraag: geef redenen/argumenten
Opsomming (leerwerk)
Reproductievraag
Toepassing 1
Toepassing 2
Inzicht
Hoeveel maanden celstraf zou je geven aan iemand die schuldig is aan een verkeersongeval met dodelijke afloop? leguit
Welk deel van de bovenste luchtwegen mis je bij een dolfijn t.o.v. een mens?
(zie afbeelding)
Noem van 10 landen de hoofsteden.
Maak een tekening van de grote bloedsomloop

Slide 10 - Sleepvraag

je hebt zinnen gemaakt, vertaling geoefend.
Hier moet je zelf bedenken om welke tijd  het gaat (tegenwoordige tijd / verleden tijd)
dit heb je al geoefend
tijdens de les
Leguit vraag: geef redenen/argumenten
Feit
Reproductievraag
Toepassing 1
Toepassing 2
Inzicht
Waar zitten de nieren?
Hoe kwam Hitler aan de macht?
Als 100% = 240
Hoeveel is dan 20 %?
Vertaal de zin:
Hij loopt op straat

Slide 11 - Sleepvraag

Waarom is het belangrijk dat je
de soort vraag kunt herkennen?

Slide 12 - Woordweb

(Toets) Vragen

- Ik had deze vragen wel verwacht

- Ik kende alles en nu heb ik toch maar een 6.8 

- Dit is helemaal niet besproken, dit kan ik 
   toch niet weten?

- Er zijn vragen die ik altijd lastig vind

- Hoe kan ik het anders/ beter aanpakken?


Soort vragen
Heb jij dit wel eens?

Slide 13 - Tekstslide

Waarom is het verstandig
om terug te kijken na een toets?

Slide 14 - Woordweb

Terugkijken na een toets (1)
Gebruik het excelbestand. Soort vragen: Misschien heeft de docent het al ingevuld. Je kunt het ook zelf of samen invullen.
Bekijk de vraag. Bepaal wat voor soort vraag het is. Noteer hoeveel punten jij scoorde en hoeveel punten je had kunnen scoren.
Je ontdekt hoe jij hebt gescoord bij de verschillende soorten vragen. Wat valt je op? Wat kan de oorzaak zijn? 
Bedenk daarna hoe je het de volgende keer gaat aanpakken.                                   



Gebruik het Excel invulformulier

Slide 15 - Tekstslide

Terugkijken na een toets (2)
       Andere factoren die een rol kunnen spelen bij het maken van een toets zijn bijvoorbeeld: 


     niet 
ingevuld


 
ingevuld

Slide 16 - Tekstslide

Terugkijken na een toets (3)




Als je alles hebt ingevuld, krijg je inzicht in hoe jij het doet. 

Hoe is het gegaan?
Wat ga je veranderen en wat blijf je hetzelfde doen?

Vul  de conclusies in en bedenk tips voor jezelf.

Slide 17 - Tekstslide

Terugkijken na een toets (4)
Bekijk RTTI en de andere factoren, trek conclusies en bedenk tips voor de volgende keer. 
Vraag evt. hulp aan een klasgenoot, vakdocent of je mentor
R = oké T1: Ik wist niet hoe ik bepaalde opdrachten moest doen.  I: ik weet niet hoe ik dat aan moet pakken, als er een vraag is die niet behandeld is tijdens de les of in het boek. Ik had 1 vraag niet goed gelezen. Ik heb getekend met pen, dat mag niet. Bij 2 vragen heb ik te weinig argumenten opgeschreven. Ik wist niet hoe ik de bloedsomloop moest leren. Ik heb er niet veel tijd aan besteed en niet alles geleerd.
 T1: ik ga de volgende keer wat meer oefenvragen maken. I: Ik overleg met de leraar hoe ik zo'n vraag moet aanpakken. Vragen goed geconcentreerd lezen. Tekenen met potlood. Bij een leguit vraag meer en duidelijker mijn argumenten opschrijven. Vragen stellen over lastige lesstof, vragen hoe ik dat moet leren.
Ik ga wat meer tijd besteden aan het leren en alle opgegeven lesstof leren.  

Slide 18 - Tekstslide

Terugkijken na een toets kun je na elke toets doen. Bekijk jouw aanpak.
  
Vraag je vakdocent
om het digitale invulformulier.

Gebruik Excel. 

Vul het in en bespreek het thuis, 
met je mentor of je vakdocent.

Slide 19 - Tekstslide

Wat heb je geleerd
of ga je toepassen?

Slide 20 - Woordweb

Soorten vragen (A)
  • Feiten-vragen
    voorbeeld: Wanneer is Karel de Grote tot keizer gekroond?
  • Begrip-vragen
     voorbeeld: Wat betekent urbanisatie?
  • Toepassingsvragen
     voorbeeld: Bereken de lengte van de schuine zijde.
  • Inzichtsvragen:
     voorbeeld: Toon aan dat de hoeveelheid vloeistof niet in het glas past.
       Leguitvragen (behoort tot de inzichtsvragen: Je geeft argumenten / redenen hoe je tot je antwoord komt).
       voorbeeld: Leguit waarom het handig is dat het heupgewricht een kogelgewricht is.
  • Evaluatievragen (Je geeft argumenten en redenen)
       voorbeeld: "Waarom zou je een klasgenoot aanraden het door jou gekozen boek te gaan lezen"
  • Synthesevragen (Je moet wat je geleerd hebt zelf samenvoegen tot iets nieuws)
        voorbeeld: . Je AK-docent vraagt je om jouw oplossing voor het dreigende voedseltekort op aarde.
Voorbeelden

Slide 21 - Tekstslide

Soorten vragen (B)
  • Gesloten vragen
       voorbeeld: Wanneer was de WOII?
  • Open vragen 
       voorbeeld:    Geef 1 reden waarom  het handig is om soorten vragen te herkennen   (kort antwoord)
       voorbeeld:   Hoe vindt de gasuitwisseling plaats in de longen?   (langer antwoord)
  • Meerkeuzevragen
      voorbeeld: Een meerkoet behoort tot: A: Vissen  B: Zoogdieren  C: Vogels  D: Reptielen
  • Waar-nietwaar vragen
       voorbeeld:  "Wij gaan brood eten"    In deze zin is het woord  'brood'  het lijdend voorwerp   A: Waar B: Nietwaar  
  • Invulvragen  (Kies 20 %,  30 %    40%    50%   60 %   70 %).  Info: Jackie eet 25 pepernoten en Jim eet er 75
       voorbeeld:    Als 125 pepernoten 100 % is  dan eet Jackie ......%, Jim eet .......%  en blijft er .......% over 
  • Rangschikvragen
       voorbeeld:  Oppervlakte: Noteer van groot naar klein :  Nederland, Duitsland, Luxemburg

Voorbeelden

Slide 22 - Tekstslide