Yvonne Wielaard
Lessen: Natuur en Zorg - Mentor - L.O.

D2ATh3 B3 oefenen

D2ATh3 Verbranding en ademhaling 
B3: Bovenste luchtwegen B3
Info gebruikt van:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

D2ATh3 Verbranding en ademhaling 
B3: Bovenste luchtwegen B3
Info gebruikt van:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je (al) over de bovenste luchtwegen?

1.  Kun je uitleggen wat de onderdelen van de bovenste luchtwegen zijn?

2. Weet je wat de kenmerken en functies van de onderdelen van de bovenste 
    luchtwegen zijn?

3. Kun je uitleggen wat het verschil is tussen de neus- en mondademhaling?

4. Wat is de stand van de huig en het strotklepje is tijdens de ademhaling, tijdens 
     slikken en tijdens verslikken?



Slide 2 - Tekstslide




A
B
C
D
E
F
A
Neusslijmvlies: DEF
B
Neusslijmvlies: AEF
C
Neusslijmvlies: BDE
D
Neusslijmvlies: ABD

Slide 3 - Quizvraag




A
B
C
D
E
F
A
2C F: Reukzintuig
B
3C E: Reukzintuig
C
4C D : Reukzintuig
D
5C A: Reukzintuig

Slide 4 - Quizvraag

1. Neusholte verwarmt binnenkomende lucht.

2. Bij een mondademhaling heb je meer kans op een
keelontsteking.

A
beide waar
B
beide nietwaar
C
waar nietwaar
D
nietwaar waar

Slide 5 - Quizvraag

strottenhoofd
keelholte
luchtpijp
neusholte

Slide 6 - Sleepvraag

Strottenhoofd
Schildklier
luchtpijp

Slide 7 - Sleepvraag

Sleep de nummers naar de juiste namen
keelholte
Long
luchtpijp
Neusholte
strottehoofd
2
1
4
3
5

Slide 8 - Sleepvraag



1. Slijmlaag
2. Slijmproducerende cel
3. Trilhaarcel
4. Trilharen
5. Bloedvat
A
1, 2 en 4 juist
B
alles juist
C
2, 3 en5 juist
D
1, 3 en 5 juist

Slide 9 - Quizvraag


Wat is juist?
A
1: neusholte B : luchtpijp
B
1: mondholte A: slokdarm
C
1: neusholte B: slokdarm
D
1: mondholte A: luchtpijp

Slide 10 - Quizvraag

1: Neusademhaling:
Meer kans op waarschuwing bij schadelijke gassen

2. Binnenstromende lucht blijft droog bij een
mondademhaling
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
waar nietwaar
D
nietwaar waar

Slide 11 - Quizvraag


Wat zie je hier?
A
open huig
B
voedsel in de slokdarm
C
open strotklepje
D
voedsel in de luchtpijp

Slide 12 - Quizvraag


Wat zie je hier?
A
open strotklepje en gesloten huig
B
gesloten strotklepje en open huig
C
open strotklepje en open huig
D
gesloten strotklepje en gesloten huig

Slide 13 - Quizvraag


Bloedvat
Slijmlaag
Slijmproduce
rende cel

Trilhaarcel

Trilharen

Slide 14 - Sleepvraag


verslikken

Tijdens het slikken, 
sluit de huig.

Lucht in de 
luchtpijp

Tijdens het slikken, 
sluit het strotklepje.

Lucht gaat langs de huig,
komt in de keelholte 

slikken, de huig is gesloten

de cola 'komt je neus uit' :)

Slide 15 - Sleepvraag


Hier zie je iemand die....
A
zich verslikt
B
lucht inademt
C
voedsel normaal doorslikt
D
lucht in de slokdarm krijgt

Slide 16 - Quizvraag


1. Neusademhaling is gezonder dan mondademhaling, omdat het bloed in de
bloedvaten van het neusslijmvlies de binnenstromende lucht verwarmt.

2. Als je verkouden bent, maakt het neusslijmvlies veel vocht aan.

A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de functie van slijmproducerende cellen

Slide 18 - Open vraag

Omschrijf de neusholte

Slide 19 - Open vraag

Wat is de functie van het reukzintuig?

Slide 20 - Open vraag

Omschrijf de luchtpijp

Slide 21 - Open vraag

Als je een neusademhaling hebt,
waardoor haal je dan adem?

Slide 22 - Open vraag

a. Wat zijn trilhaarcellen?
b. Welke functie hebben ze?

Slide 23 - Open vraag

Waaruit bestaat het neusslijmvlies?

Slide 24 - Open vraag

Wat zijn de bronchiën?

Slide 25 - Open vraag

Wat doet het strotklepje bij slikken?
Waarom?

Slide 26 - Open vraag

Wat zijn 'de luchtwegen'?

Slide 27 - Open vraag

a.Wat gebeurt er met de huig
als je voedsel doorslikt?
b. Waarom?

Slide 28 - Open vraag