H1 weer en klimaat

Hoofdstuk 1: Het weer en het klimaat
§1: Weer of klimaat?
1 / 77
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 77 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 15 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 1: Het weer en het klimaat
§1: Weer of klimaat?

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het Weer

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Ik kan:
- de 5 belangrijke weerelementen benoemen
de weerelementen in een weerbericht of op een weerkaart herkennen. 
- beschrijven hoe meteorologen een weersverwachting maken. 
- uitleggen wat de gevolgen zijn van te veel uv-straling op je huid. 
- uitleggen waarom in een weersverwachting vaak ook de zonkracht (uv-index) wordt genoemd.
- uitleggen wat bewolkingsgraad en de zonkracht met elkaar te maken hebben.
- de overeenkomsten en verschillen noemen tussen weer en klimaat.
- een klimaatgrafiek aflezen
- 5 klimaatfactoren noemen en beschrijven
- van elke klimaatfactor uitleggen hoe deze de gemiddelde temperatuur en neerslag in een gebied beïnvloedt
aan de hand van een kaart of een voorbeeld benoemen welke klimaatfactoren in een gebied een rol spelen

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog over het weer?

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Slide 5 - Open vraag

De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Definitie en variabiliteit van het weer
Het weer is de toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, in een bepaald gebied. Het kan variëren van dag tot dag en van plaats tot plaats, zoals in Nederland.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Rol van weerkundigen en weersverwachtingen
Weerkundigen bij het KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) maken weersverwachtingen. Dit doen ze door temperatuur, neerslag, luchtdruk, wind en bewolkingsgraad te meten met behulp van satellieten, weerballonnen en meetapparatuur in weerstations. Ze maken een weersverwachting met behulp van computermodellen.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Temperatuur
Neerslag
Luchtdruk
Wind
Bewolking





 Dit zijn de belangrijkste weerelementen. Deze worden gemeten met behulp van satellieten, weerballonnen en meetapparatuur in weerstations.
 
Belangrijke weerelementen

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even oefenen!
Welke weer elementen zie je op de kaart?

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zonlicht en uv-straling
Zonlicht bestaat uit zichtbaar licht en  uv-straling.                                                         Deze straling kan schadelijk zijn in grote hoeveelheden. Daarom wordt in een                                                                             weerbericht vaak ook de zonkracht of uv-index genoemd.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

00:05-00:15
Welke weer elementen benoemt de weerman?

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dampkring / atmosfeer 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

0

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Maak: §1 opdrachten: 3,4, en 5

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Ik kan:
- de 5 belangrijke weerelementen benoemen
de weerelementen in een weerbericht of op een weerkaart herkennen. 
- beschrijven hoe meteorologen een weersverwachting maken. 
- uitleggen wat de gevolgen zijn van te veel uv-straling op je huid. 
- uitleggen waarom in een weersverwachting vaak ook de zonkracht (uv-index) wordt genoemd.
- uitleggen wat bewolkingsgraad en de zonkracht met elkaar te maken hebben.
- de overeenkomsten en verschillen noemen tussen weer en klimaat.
- een klimaatgrafiek aflezen
- 5 klimaatfactoren noemen en beschrijven
- van elke klimaatfactor uitleggen hoe deze de gemiddelde temperatuur en neerslag in een gebied beïnvloedt
aan de hand van een kaart of een voorbeeld benoemen welke klimaatfactoren in een gebied een rol spelen

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klimaat en het gemiddelde

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


De verschillen in gemiddelde temperatuur en neerslag verschillen per gebied door vijf klimaatfactoren:
  1. 1: breedteligging: afstand tot de evenaar --> hoe verder, hoe lager de gemiddelde temperatuur
  2. 2: hoogteligging: boven zeeniveau --> hoe hoger, hoe lager de gemiddelde temperatuur
  3. 3:gesteldheid van het aardoppervlak: verwarmt de zon land of water? --> water warmt langzamer op en koelt langzamer af dan land
  4. 4: Gebergten --> klimaatscheiding
  5. 5: Transport door wind en zeestromen
Klimaatfactoren: 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

00:40-01:00
Mijn collega hier behandelt 3 klimaatfactoren, terwijl jullie er 5 leren...hoe kan dat?

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

03:40-04:00
Twee klimaatfactoren benoemt hij niet, terwijl ze wél van belang zijn...welke?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Breedteligging
Hoe verder van de evenaar, hoe lager de temperatuur.

  • rondom de evenaar verwarmen de zonnestralen een kleiner oppervlak en is de warmte geconcentreerd.

  •  dichter bij de Noord- (en Zuid)pool verwarmen de zonnestralen een groter oppervlak en is de warmte meer verspreid.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • De zonnestralen dringen niet (ver) door in de aarde. Het landoppervlak is dan snel warm, maar koelt 's avonds ook weer snel af.

  • De zonnestralen dringen wél ver door in het (zee)water. Het duurt lang voordat dit warm is en eenmaal warm duurt het ook weer lang voor het afgekoeld is.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • De aanwezigheid van reliëf (gebergten bijvoorbeeld) kan ook zorgen voor een klimaatscheiding.

  • De invloed van zee is aan de lijzijde van de berg niet (of nauwelijks) merkbaar.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Video

Deze slide heeft geen instructies

  • in de zomer zorgt wind vanaf zee ervoor dat het gebied aan de kust afgekoeld wordt


  • in de winter zorgt diezelfde wind er juist voor dat het gebied aan de kust niet extreem koud wordt (het zeewater is immers warmer dan het binnenland)

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Transport
  • Sterker nog: hoe kunnen er palmbomen groeien aan de zuidkust van Groot-Brittannië?!
Nederland ligt net zo dicht bij de Noordpool als het midden van Canada...waarom zijn de winters bij ons dan niet zo koud?

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

H1 §1 
Maak de opdrachten 7+8

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Definities
  • Weer: De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, in een bepaald gebied
  • Weersverwachting: Een voorspelling van hoe het weer zal zijn, gemaakt door weerkundigen
  • Zonlicht: Bevat zichtbaar licht en andere soorten straling, zoals uv-straling
  • Zonkracht: Een maat voor de hoeveelheid uv-straling in het zonlicht die de aarde bereikt

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 2 temperatuur. 

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

◉ Je kunt beschrijven hoe meteorologen de temperatuur meten en weergeven op een kaart.
◉ Je kunt uitleggen hoe de atmosfeer indirect door de zon, en direct door het aardoppervlak, van onderaf wordt verwarmd.
◉ Je kunt uitleggen waarom het in de atmosfeer kouder wordt als de hoogte toeneemt.
◉ Je kunt met behulp van de zoninvalshoek en de afstand die zonnestralen door de atmosfeer afleggen, uitleggen waarom de gemiddelde temperatuur rond de evenaar (op lage breedte) hoger is dan op hogere breedte.
◉ Je kunt uitleggen hoe de zoninvalshoek op elke breedtegraad tijdens een jaar verandert door de schuine stand van de aardas ten opzichte van de aardbaan om de zon.
◉ Je kunt uitleggen hoe door die steeds wisselende zoninvalshoek seizoenen ontstaan.
◉ Je kunt verklaren waarom je in het gebied tussen de keerkringen nauwelijks iets merkt van seizoenen.
◉ Je kunt uitleggen hoe de hoogteligging invloed heeft op de gemiddelde temperatuur van een gebied.
◉ Je kunt uitleggen hoe de nabijheid van zee invloed kan hebben op de gemiddelde temperatuur in een gebied en welke rol warme en koude zeestromen hierin kunnen spelen.
Leerdoelen

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Temperaturen op aarde
  1. Temperatuur wordt gemeten op een thermometer.
  2. De lucht om ons heen wordt niet verwarmt door de zonnestraling, maar door de aarde die de warmte terugstoot. 

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een isotherm
Isotherm: lijnen die plaatsen met een vergelijkbare temperatuur verbinden. 

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontstaan seizoenen
De staat een beetje scheef en draait om de zon heen. 

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 2
Maak: 1, 2, 3 en 4 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Maak w5 van paragraaf 2

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 3

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Luchtdruk en wind
- Luchtdruk wordt gemeten in bar. Door een barometer.
- Luchtdruk aan de aarde bevindt zich tussen 940(L) en 1060(H) hPa.






- Lucht stroomt van gebieden met een hoog druk gebied (H) naar een lagedrukgebied (L)

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 49 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 50 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 51 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Verplaatsing van lucht van een hoogdrukgebied naar een lagedrukgebied. 

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak de opdrachten 1,2 en 3 van paragraaf 3

Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schaal van Beaufort

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 56 - Open vraag

De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 57 - Open vraag

De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.
Leerdoelen
◉ Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen vochtige lucht en droge lucht.
◉ Je kunt uitleggen hoe de maximale luchtvochtigheid afhankelijk is van de temperatuur van de lucht.
◉ Je kunt verklaren waarom waterdamp condenseert in lucht die afkoelt. Hierbij gebruik je de begrippen luchtvochtigheid en verzadiging.
◉ Je kunt uitleggen waaruit wolken bestaan.
◉ Je kunt uitleggen waarom op plaatsen waar (warme) lucht opstijgt, neerslag kan ontstaan.
◉ Je kunt uitleggen waarom uit sommige wolken geen neerslag valt en je gebruikt hierbij de begrippen luchtvochtigheid en grootte van de waterdruppels.
◉ Je kunt uitleggen waarom op plaatsen waar (koude) lucht in de atmosfeer daalt, geen neerslag zal ontstaan.
◉ Je kunt drie soorten neerslag herkennen in een afbeelding en uitleggen hoe deze soorten neerslag ontstaan.
◉ Je kunt het verband uitleggen tussen de verschillende soorten neerslag en lagedrukgebieden aan het aardoppervlak.
◉ Je kunt het ontstaan van een lagedrukgebied (depressie) rond de breedtegraad van Nederland beschrijven en uitleggen.
◉ Je kunt de waterkringloop in een afbeelding herkennen en je kunt hem zelf tekenen. Je kunt daarbij de verschillende onderdelen van de waterkringloop benoemen.
◉ Je kunt beschrijven hoe de waterkringloop werkt en wat de verbanden zijn tussen de verschillende onderdelen.

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De waterkringloop
- Het start bij de zon.
- Deze zorgt voor verdamping en door hoge- en lagedrukgebieden tot wind

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 60 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 61 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 62 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Waar komt stijgingsregen voor?

Slide 63 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar komt stuwingsregen voor?

Slide 64 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar komt frontale neerslag voor?

Slide 65 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 4
Maak opdrachten: 2,4,5,6+ 7

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 5
Mondiale luchtcirculatie.

Slide 67 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

◉ Je kunt het verband uitleggen tussen de hoeveelheid zonne-instraling op verschillende breedtegraden en het ontstaan van hoge- en lageluchtdrukgebieden op wereldschaal.
◉ Je kunt verklaren waarom in de tropen rond de evenaar een lage luchtdruk heerst aan het aardoppervlak en waarom hier gemiddeld veel stijgingsneerslag valt.
◉ Je kunt verklaren waarom in het gebied rond de polen altijd een hoge druk heerst aan het aardoppervlak.
◉ Je kunt verklaren waarom er rond de 30° N.B. en Z.B. een hoge luchtdruk aan het aardoppervlak ontstaat en waarom hier gemiddeld weinig neerslag valt.
◉ Je kunt verklaren waarom rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. koude lucht vanaf de polen en warme lucht vanaf 30° N.B. en Z.B. elkaar ontmoeten, waardoor een gebied van lage luchtdruk ontstaat aan het aardoppervlak.
◉ Je kunt verklaren waarom hier gemiddeld het hele jaar frontale neerslag valt.
◉ Je kunt de wet van Buys Ballot beschrijven en deze op een gegeven voorbeeld toepassen.
◉ Je kunt de mondiale luchtcirculatie in een afbeelding herkennen en de elementen van deze circulatie benoemen.
◉ Je kunt de mondiale luchtcirculatie zelf tekenen en de elementen van deze circulatie benoeme

Slide 68 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Luchtcirculatie

Slide 69 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 70 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 71 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 72 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 73 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 74 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 75 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even oefenen! Geef aan welke klimaten A+B zijn.

Slide 76 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 77 - Link

Deze slide heeft geen instructies