Personalpronomen, sein und haben
Personalpronomen, sein und haben
Deze slide heeft geen instructies
Lesdoel
Ik kan Duitse persoonlijke voornaamwoorden gebruiken en de werkwoorden sein en haben goed vervoegen.
Deze slide heeft geen instructies
Welke Duitse woorden ken je al bij ik, jij, hij, zij of wij?
Gebruik de woordwolk als start: haal bekende woorden op zoals ich, du, er, sie, wir, sein, haben. Laat leerlingen kort zeggen wat ze al herkennen.
Personalpronomen enkelvoud en meervoud
Meervoud
Enkelvoud
wir - wij / we
ihr - jullie
sie - zij
ich - ik
du - jij / je
er - hij
sie - zij
es - het
Personalpronomen zijn persoonlijke voornaamwoorden.
Ze staan in plaats van een persoon of een ding.
Wijs erop dat Nederlands en Duits hier sterk op elkaar lijken, behalve bij ihr.
Voorbeelden met personalpronomen
Ich bin Larisa.
Du bist nett.
Er ist Paul.
Sie ist Anna.
Es ist ein Buch.
Wir sind in der Schule.
Ihr seid gute Schüler.
Sie sind Freunde.
Lees de zinnen hardop voor en laat de nadruk op het voornaamwoord vallen.
Let op: sie heeft twee betekenissen
sie kan in het Duits twee dingen betekenen:
sie = zij, één persoon
Sie ist Anna.
sie = zij, meerdere personen
Sie sind Lehrer.
Je ziet het verschil aan het werkwoord: ist of sind.
Benadruk dat het hier niet gaat om beleefdheidsvorm Sie, maar om sie als derde persoon vrouwelijk enkelvoud en derde persoon meervoud.
Welk woord betekent in het Duits 'jullie'?
wir
ihr
sie
du
Controleert het onderscheid tussen wir, ihr en sie na de uitleg over personalpronomen.
Vul de juiste personalpronomen in
In het Duits zeg je: Ich bin glücklich. / Du bist nett.
Bij één meisje zeg je: Sie ist Anna.
Voor een ding gebruik je: Es ist ein Buch.
Alle antwoorden komen letterlijk uit de voorbeelden op de vorige slides. Let op dat es voor een ding wordt gebruikt.
Das Verb sein
sein betekent zijn.
Je gebruikt sein bijvoorbeeld bij:
naam
leeftijd
eigenschap
beroep of rol
Voorbeeld: Ich bin Schüler.
Koppel sein aan zinnen met 'zijn' in het Nederlands: ik ben, jij bent, wij zijn.
sein vervoegen
ich bin
du bist
er / sie / es ist
Enkelvoud
Meervoud
wir sind
ihr seid
sie sind
Deze slide heeft geen instructies
Voorbeelden met sein
Ich bin 13 Jahre alt.
Du bist mein Freund.
Er ist nett.
Wir sind Schüler.
Ihr seid in der Schule.
Wijs op de combinatie met leeftijd: in het Duits zeg je letterlijk 'ik ben 13 jaar oud'.
Welke vorm hoort bij 'wir' van sein?
seid
bin
sind
ist
Plausibele fouten zijn seid en ist, omdat leerlingen vaak de rij van sein nog door elkaar halen.
Vul de vormen van sein in
Ich bin 13 Jahre alt.
Du bist mein Freund.
Wir sind Schüler.
Ihr seid in der Schule.
Deze oefening herhaalt de voorbeeldzinnen met sein en koppelt vorm aan voornaamwoord.
Das Verb haben
haben betekent hebben
Je gebruikt haben om te zeggen dat iemand iets heeft.
Voorbeelden:
een dier
een broer of zus
een fiets
vakantie
Houd het eenvoudig: hebben = bezit of iets dat bij iemand hoort.
haben vervoegen
Enkelvoud
ich habe
du hast
er / sie / es hat
wir haben
ihr habt
sie haben
Meervoud
Deze slide heeft geen instructies
Voorbeelden met haben
Ich habe einen Hund.
Du hast einen Bruder.
Er hat ein Fahrrad.
Wir haben ein Haus.
Ihr habt Ferien.
Wijs op de afwijkende vormen hast en hat; die lijken niet op hebben in het Nederlands, dus extra oefenen helpt.
Welke vorm hoort bij 'du' van haben?
hast
hat
habt
habe
Laat vooral het verschil zien tussen hast, hat en habt.
Vul de vormen van haben in
Ich habe einen Hund.
Du hast einen Bruder.
Er hat ein Fahrrad.
Wir haben ein Haus.
Gebaseerd op de voorbeeldzinnen met haben. Leerlingen zien hier ook het verschil tussen enkelvoud en meervoud.
Vergelijk: sein of haben
Kies sein bij:
wie iemand is
hoe iemand is
hoe oud iemand is
Kies haben bij:
wat iemand heeft
wat bij iemand hoort
Dit is de kern van het onderscheid: zijn versus hebben. Laat leerlingen steeds eerst de betekenis van de zin bepalen.
Welcher Satz ist richtig?
Wir hast Freunde.
Er sein nett.
Du hast einen Hund.
Ich sind 13 Jahre alt.
Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.
Welcher Satz ist richtig?
Wir haben zwei Katzen.
Ich sein müde.
Du hast sehr freundlich.
Du sind glücklich.
Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.
Welcher Satz ist richtig?
Wir sind ein rotes Auto.
Ihr habt einen Hund.
Du ist sehr freundlich.
Das Wetter hat heute schön.
Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.
Welcher Satz ist richtig?
Wir sein eine Schule.
Anna ist einen Hund.
Du ist sehr nett.
Das Wetter ist heute schön.
Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.
Kies sein of haben
Du bist 13 Jahre alt.
Er hat ein Fahrrad.
Wir sind Freunde.
Mein Hund hat vier Beine.
Hier moeten leerlingen eerst naar de betekenis kijken: leeftijd en eigenschap vragen om sein, bezit of iets dat bij iemand hoort om haben.
Welke vorm onthoud jij het makkelijkst?
Verwachte elementen: een vorm van sein of haben noemen en koppelen aan een voornaamwoord, bijvoorbeeld ich bin of du hast. Laat leerlingen hardop delen wat zij het best onthouden.
Wat vond jij vandaag het lastigst?
Verwachte elementen: leerlingen noemen wat lastig was, zoals sie = enkelvoud/meervoud of het verschil tussen sein en haben. Gebruik dit als korte terugblik.
Begrippenlijst
Personalpronomen - persoonlijk voornaamwoord dat een persoon of ding aanduidt
ich - ik
du - jij / je
er - hij
sie - zij
es - het
wir - wij / we
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
ihr - jullie
sein - zijn
haben - hebben
bin - vorm van sein bij ich
bist - vorm van sein bij du
hast - vorm van haben bij du
hat - vorm van haben bij er / sie / es
Deze slide heeft geen instructies