OPS leerjaar 3 thema 18 deel 2

Thema 18 deel 2 extra zorg en ondersteuning;
 Doelgroepen gespecialiseerde opvang  
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
OPSBeroepsopleiding

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Thema 18 deel 2 extra zorg en ondersteuning;
 Doelgroepen gespecialiseerde opvang  

Slide 1 - Tekstslide

• Boek gespecialiseerd pedagogische medewerker A : Blz. 99-124
• Boek gespecialiseerd pedagogisch medewerker B : Blz. 78-113

Slide 2 - Tekstslide

Inleiding 
De meeste kinderen ontwikkelen zich normaal. Zij bezoeken reguliere kinderdagverblijven en bso’s. Bij sommige kinderen verloopt de ontwikkeling echter anders. Veel van deze kinderen bezoeken nog altijd een reguliere kinderdagverblijven en bso’s, maar dat is niet voor iedereen mogelijk. Deze kinderen hebben meer nodig dan de reguliere opvang kan bieden. Zij hebben gespecialiseerde opvang nodig.

Slide 3 - Tekstslide

Inhoud
  • Een ontwikkelingsstoornis  
  • Zorgvraag
  • Begeleiding 
  • Een ontwikkelingsprobleem
  • Opdracht
  • Kennisquiz

Slide 4 - Tekstslide


Een ontwikkelingsstoornis is

Slide 5 - Open vraag

Een ontwikkelingsstoornis is.....
Een ontwikkelingsstoornis is een aandoening die de ontwikkeling van het kind ernstig belemmert. Dit treedt altijd op in de kindertijd of pubertijd.
De belangrijkste oorzaak is aanleg. De omgeving oefent wel invloed op uit de stoornis, maar de omgeving is niet de oorzaak. Soms is een stoornis zo groot dat dit direct naar de geboorte duidelijk is, zoals het syndroom van Down. Er is direct een verband tussen de stoornis en het gedrag en de mogelijkheden van het kind. Hierdoor lijken kinderen die eenzelfde stoornis hebben, in hun gedrag op elkaar en hebben ze vergelijkbare begeleiding nodig; structuur, leren door ervaring en intensieve begeleiding zijn voor alle kinderen met een ontwikkelingsstoornis onontbeerlijk.

Slide 6 - Tekstslide

Zorgvraag
In de gespecialiseerde opvang kom je kinderen tegen met een extra zorgvraag. Deze kinderen kunnen niet terecht in de gewone opvangvoorzieningen. Op de gespecialiseerde opvang doet men er alles aan om te zorgen dat ieder kind de juiste begeleiding krijgt.
De individuele ontwikkeling en mogelijkheden van het kind zijn dus het uitgangspunt. Voor ieder kind wordt daarbij een individueel handelingsplan opgesteld.

Slide 7 - Tekstslide

Begeleiding 
Zonder de juiste begeleiding zal de ontwikkeling tot stilstand komen. Dit komt omdat de ontwikkelingsstoornis de zone van naaste ontwikkeling aantast. Het kind heeft geen of minder vermogen zich verder te ontwikkelen en zonder intensieve begeleiding zal het kind zich geen nieuwe vaardigheden eigenmaken. Het kind blijft hangen in zijn huidige ontwikkelingsstadium

Slide 8 - Tekstslide

Een ontwikkelingsprobleem 

Slide 9 - Woordweb

Een ontwikkelingsprobleem
Een ontwikkelingsprobleem is iets anders dan een ontwikkelingsstoornis. De ontwikkeling wordt een stuk minder belemmerd dan bij een ontwikkelingsstoornis. Bij een ontwikkelingsprobleem is de omgeving een belangrijke oorzaak. Traumatische gebeurtenissen als seksueel misbruik of ernstige vechtscheiding bij ouders kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn.
De reguliere kinderopvang kan kinderen met ontwikkelingsproblemen veel vaker opvangen dan kinderen met een ontwikkelingsstoornis. Alleen bij ernstig probleemgedrag heeft het kind gespecialiseerde opvang nodig. Een ontwikkelingsprobleem tast de zone van de naaste ontwikkeling niet aan, maar heeft vooral invloed op de huidige ontwikkeling van het kind. In principe heeft het kind nog steeds het vermogen zich verder te ontwikkelen.

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht 
‘maak een informatie brochure’ 

Slide 11 - Tekstslide

Maak een informatie brochure
Het doel is ouders informeren over een van de onderstaande onderwerpen.
De onderwerpen (de docent verdeeld de onderwerpen) :
  1. DCD
  2. NLD
  3. Niet aangeboren hersenletsel
  4. Communicatiestoornis
  5. OCS
  6. Hechtingsproblemen
  7. Hooggevoelig zijn

Slide 12 - Tekstslide

De folder moet voldoen aan de volgende eisen:
  • Maken in publisher of een ander programma waar je brochures mee kan maken
  • Uitdagend voor de doelgroep. Ze moeten getriggerd worden om de brochure te lezen
  • Zorg voor toepasselijke illustraties
  • De volgende onderwerpen moeten aan bod komen in de brochure
  • Wat is het ? (evt. verschillende vormen)
  • Oorzaken
  • Hoe kun je het herkennen?
  • Begeleiding in de groep
  • Waar kun je terecht voor hulp en ondersteuning?
Alleen voor niveau 4:
  • Hoe verloopt het proces van de diagnose?
(wie stelt de diagnose enz.)

Slide 13 - Tekstslide

Gebruik voor deze opdracht de boeken:

  • gespecialiseerd pedagogisch medewerker A blz. 99-124
  • gespecialiseerd pedagogisch medewerker B blz. 78 - 113
  1. Verzamel eerst alle info over het onderwerp en maak er een mindmap van. 
  2. Vervolgens de info selecteren alvorens je de brochure gaat maken
  3. Alle folders worden uitgeprint. 
  4. De folders rouleren door de klas en de groepjes geven feedback a.d.h.v. een top en een tip (Wees constructief! Dus als je iets mist in de folder geef aan hoe het wel zou moeten).


Slide 14 - Tekstslide

Micha is 6 jaar en heeft DCD. Bij het buiten spelen kiest hij altijd voor de zandbak.
Als de andere kinderen gaan fietsen of op het klimrek gaan spelen, houdt hij zich
afzijdig. Jij bent gespecialiseerd pedagogisch medewerker en vraagt aan Micha of hij
niet ook een keer op de fiets wil. Hij zegt dat hij dat niet wil. •
Hoe reageer je hierop? Neem in je antwoord mee wat de juiste handelwijze is bij het
werken met kinderen met DCD.

Slide 15 - Open vraag

Kinderen kunnen lijden aan verschillende stoornissen. Bij welke groep kinderen werkt de rechterhersenhelft niet helemaal goed?
A
bij kinderen met ADHD
B
bij kinderen met DCD
C
bij kinderen met ASS
D
bij kinderen met NLD

Slide 16 - Quizvraag

Welke kinderen hebben last van motorische stoornissen?
A
kinderen met ADHD
B
kinderen met ASS
C
kinderen met DCD
D
kinderen met NLD

Slide 17 - Quizvraag

Max (9) heeft een nogal houterige motoriek en valt vrij vaak. Hij heeft een heel grote
woordenschat en leest vlot. Als je doorvraagt over wat hij gelezen heeft, blijkt vaak
dat hij lang niet alles begrepen heeft. Max vindt rekenen moeilijk, vooral als het om
nieuwe dingen gaat, dingen waarbij inzicht nodig is. Eenvoudige sommen maakt hij
snel en goed.
Welke stoornis heeft Max?

Slide 18 - Open vraag

Kim wil haar haar borstelen, maar wil daarvoor een tube tandpasta gebruiken.
Zulk onvermogen om doelbewuste handelingen uit te voeren noemen we

Slide 19 - Open vraag

Stotteren is een voorbeeld van een

Slide 20 - Open vraag

Het onvermogen om een zinvol gesprek te voeren is een voorbeeld van een

Slide 21 - Open vraag

Een deskundige die zich richt op het verbeteren van de taal en spraak en de
communicatie van kinderen is een

Slide 22 - Open vraag

Waarom komt juist bij dove kinderen de hechting met de ouders in gevaar
A
Omdat dove kinderen niet goed kunnen aangeven wat ze willen
B
Omdat dove kinderen vaak betutteld worden door hun ouders.
C
Omdat dove kinderen het gedrag van de ouders niet goed begrijpen.
D
Omdat dove kinderen vaak te weinig thuis zijn.

Slide 23 - Quizvraag

Chiara (14) wast zeker dertig keer per dag haar handen. Ze durft niet op een stoel te
gaan zitten waar een ander net op heeft gezeten. Een deurklink raakt ze alleen aan
met een papieren zakdoekje in haar hand.
Hoe heet de stoornis waar Chiara aan lijdt?

Slide 24 - Open vraag

Welke stellingen over hechtingsproblemen zijn juist?
A
Een hechtingsprobleem kan aangeboren zijn
B
Een hechtingsprobleem wordt vaak veroorzaakt door een traumatische ervaring uit het verleden
C
Een inconsequente opvoeding leidt vaak tot een hechtingsprobleem bij het kind.
D
Kinderen met een hechtingsprobleem ontwikkelen soms extreme scheidingsangst

Slide 25 - Quizvraag