21-5-2026

Willkommen im Deutschunterricht
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Willkommen im Deutschunterricht

Slide 1 - Tekstslide

der Unterrichtsplan:

(de lesplanning)


-Rückblick: die Uhrzeit. 

Lektion 1:Aufg. 1A, 1C, 2, 3A, 3B en 3C korrigieren


Grammatik A – Modale hulpwerkwoorden L1. Aufg 7A, 7B, 8A, 8B, 8C

Lektion 2: 10, 11

Evaluation



















Slide 2 - Tekstslide

Lektion 1: Aufg. 2, 3A, 3B en 3C korrigieren

Slide 3 - Tekstslide

die Lernziel(e):


- Je kunt de modale werkwoorden in de tegenwoordige tijd gebruiken. 


Je kent de kloktijden en kunt deze in het Duits zeggen en opschrijven.


Slide 4 - Tekstslide

Wie spät ist es?

A
Es ist fünf nach zwei.
B
Es ist fünf Uhr.
C
Es ist Viertel vor zwei.

Slide 5 - Quizvraag

Wie spät ist es?

A
Es ist zehn Uhr.
B
Es ist halb sechs.
C
Es ist Viertel vor sieben.

Slide 6 - Quizvraag


Wie spät ist es?



Slide 7 - Open vraag


Wie spät ist es?



Slide 8 - Open vraag

Slide 9 - Tekstslide

Modalverben

Slide 10 - Tekstslide

Wat zijn "Modalverben" of modale werkwoorden ?
> "Modalverben" zijn hulpwerkwoorden
> Ze geven een andere betekenis aan een werkwoord in de zin. 
Bijvoorbeeld:
Ik werk:  ik zal werken, ik moet werken, ik mag werken......
De betekenis van de zin verandert.


Slide 11 - Tekstslide

MODALE HULPWERKWOORDEN



dürfen
mogen (toestemming)
können
kunnen
mögen
houden van, lusten
müssen
moeten (noodzaak)
sollen
moeten (opdracht, bevel, de wil van een ander)
wollen
willen

Slide 12 - Tekstslide

Wat is kenmerkend van deze groep werkwoorden? 
1. ich  en  er/sie/es  hebben geen uitgang
2. in het enkelvoud staat een andere klinker dan in het meervoud (behalve sollen)

Slide 13 - Tekstslide

modale werkwoorden

dürfen

können

mögen

müssen

sollen

wollen
ich
darf
kann
ma
muss
soll
will
du
darf-  st
kann - st 
mag - st
muss - t
soll - st
will - st
er/sie/es
darf
kann
mag
muss
soll
will
wir
dürf - en
könn - en
mög - en
müss - en
soll - en
woll - en
ihr
dürf - t
könn -
mög - t
müss - t
soll - t
woll - t
sie/Sie
dürf - en
könn - en
mög - en
müss - en
soll - en
woll - en

Slide 14 - Tekstslide

Verbinde die Modalverben mit der Bedeutung.
müssen
sollen
kunnen
mogen, toestemming hebben
moeten (noodzaak)
moeten (opdracht, bevel)
leuk vinden, lusten, aardig vinden
willen
wollen
mögen
dürfen
können

Slide 15 - Sleepvraag

Modalverb
"dürfen"
darf
darfst
darf
dürfen
dürft
dürfen
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

Slide 16 - Sleepvraag

Modalverb
"können"
kann
kannst
kann
können
könnt
können
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

Slide 17 - Sleepvraag

Modalverb
"müssen"
muss
musst
muss
müssen
müsst
müssen
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

Slide 18 - Sleepvraag

Modalverb
"mögen"
mag
magst
mag
mögen
mögt
mögen
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

Slide 19 - Sleepvraag

...................... du die Modalverben bilden?
A
Kannst
B
Könnst
C
Könn
D
Kann

Slide 20 - Quizvraag

Macht jetzt: Aufg. 7A, 7B, 8A, 8B, 8C
Lektion 2: 10, 11 

timer
15:00
Vind je het nog lastig? 

Bekijk dan nog even het volgende filmpje over de modale hulpwerkwoorden en möchten in teams. 

Slide 21 - Tekstslide



                                                             

                         Hausaufgaben:Lektion 1: Aufg. 7A, 7B, 8A, 8B, 8C


                          Lektion 2: 10, 11

                        leren Lernbox Lektion 2 (S. 223): ein bisschen t/m                                                  wiederholen +  Grammatik A



                         

 


Slide 22 - Tekstslide