07-10-2026
check leerwerk via LessonUp!
uitleg betrekkelijk voornaamwoord + oefenen via LessonUp!
grammatica herhalen: praesens actief/passief
verder met Tekst 24
eindactiviteit
07-10-2026
check leerwerk via LessonUp!
uitleg betrekkelijk voornaamwoord + oefenen via LessonUp!
grammatica herhalen: praesens actief/passief
verder met Tekst 24
eindactiviteit
Terugblik: persoonlijk voornaamwoord
Welk rijtje is dit: ea-eius-ei-eam-ea?
zij (ev)
ik
zij (mv vrouwelijk)
jullie
Welk rijtje is dit: nos-nostrum-nobis-nos-nobis?
jij
wij
zij (mv onzijdig)
zij (ev)
Welk rijtje is dit: vos-vestrum-vobis-vos-vobis?
hij
wij
ik
jullie
Welk rijtje is dit: ei-eorum-eis-eos-eis?
jij
zij (mannelijk mv)
zij (vrouwelijk meervoud)
jullie
Hoe vertaal je: ego?
ik
van mij
jij
aan/voor jou
Hoe vertaal je: eorum?
van jullie
van ons
met/door hen
van hen
Hoe vertaal je: tibi?
aan/voor mij
aan/voor jou
aan/voor jullie
aan/voor haar
Kies de juiste vertaling:
Pater audit eam.
Zij hoort vader.
Vader hoort hem.
Vader hoort haar.
Hij hoort vader.
Kies de juiste vertaling:
Mater opus nobis dat.
Hij geeft moeder een taak.
Moeder geeft een taak aan ons.
Zij geven moeder een taak.
De taak wordt gegeven aan moeder.
Kies de juiste vertaling:
Pater eam filiam videt.
Vader ziet deze dochter.
Kies antwoord A
Het is echt antwoord A
Nee maar serieus het is A
Pater eam filiam videt = De vader ziet deze dochter. Waarom?
Aantekening: betrekkelijk voornaamwoord
Aantekening: betrekkelijk voornaamwoord
Let op: het betr.vnw. congrueert in geslacht & getal met het antecedent - de naamval is afhankelijk van de functie in de bijzin!
Voorbeeld:
Pastor pueros, qui lacrimabant, audivit.
Pastor pueros, quos vidit, servavit.
Samen oefenen: blz. 21 opdracht 1
a. Na de dood van Proca verdreef Amulius Numitor, die de macht had geërfd, uit de stad.
b. De herder en zijn vrouw ontfermden zich over de kinderen, die een wolvin had gered.
c. Philemon en Baucis werden beloond door Jupiter en Mercurius, aan wie zij hun laatste eten hadden gegeven.
Zelf oefenen: blz. 21 opdracht 2 set 1
a. Puella, quam vides, Cornelia est.
b. Puer, cuius amicus sum, Marcus est.
c. Puer, cui praemium das, gaudet.
d. Domus, in qua vivo, parva est.
Noteer de 4 betrekkelijke voornaamwoorden uit onderstaand fragment.
Interea Romulus, qui in Palatino sedebat, Iovem orabat:
"Iupiter magne, cui semper multa sacra feci, me nunc iuva."
Sed ét Remus, qui in Aventino sedebat, orabat:
"Iupiter, quem semper colui, te oro: mihi nunc signum mitte."
Noteer de betrekkelijke voornaamwoorden uit onderstaand fragment en geef naamval, getal, geslacht.
Interea Romulus, qui in Palatino sedebat, Iovem orabat:
"Iupiter magne, cui semper multa sacra feci, me nunc iuva."
Sed ét Remus, qui in Aventino sedebat, orabat:
"Iupiter, quem semper colui, te oro: mihi nunc signum mitte."
Verder met Tekst 24
8 Dum fratres orant, ecce sex aves Aventinum versus volant.
9 Remus iam gaudebat, cum subito duodecim aves Romulo se ostendunt.
10 Uter eorum nunc rex erat? Remusne, qui prior sex aves videbat,
11 an Romulus, cui postea duplex numerus se ostenderat?
12 In pugna, quae tum inter fratres orta est, Remus cecidit.
13 Ita Romulus rex Romae factus est.
Verder met Tekst 24
14-15 Romani et aliam fabulam de morte Remi narrant: quondam fratres muros urbi novae aedificabant. Muri, quos Romulus aedificabat,
16 nondum alti erant, cum Remus fratrem deridens eos transiluit.
17 Deinde Romulus Remum, qui muros transiluerat, iratus necavit.
Check: betrekkelijk voornaamwoord
Spelregels LessonUp!
eigen naam, geen extra letters/smileys (dat doen we nog wel een keer...)
geen wifi/laptop leeg of werkt niet? > samenwerken met degene naast je
Eerst in het Nederlands
1. Het meisje, dat op straat loopt, heeft een rood jurkje aan.
nominativus
genitivus
dativus
accusativus
2. De vrouw, van wie ik dit cadeau heb gekregen, heet Simone.
nominativus
genitivus
dativus
accusativus
3. De Romeinse goden, die ik erg bewonder, zijn onsterfelijk.
nominativus
genitivus
dativus
accusativus
Nu in het Latijn!
1. Servus, ... non fugit, insanus est.
De slaaf, ... niet vlucht, is gek.
qui
quae
quem
cui
2. Homines, ... dei puniunt, miseri sunt.
De mensen, ... de goden straffen, zijn ongelukkig.
qui
quorum
quibus
quos
3. Carmen, de ... narravistis, non cognosco.
Het lied, over... jullie hebben verteld, ken ik niet.
qui
quae
quod
quo
Dominus, cuius servus fui, nunc mortuus est.
De meester, die slaaf is geweest, is nu dood
De meester, wiens slaaf ik ben geweest, is nu dood.
de meester, waarvan ik slaaf ben geweest, is nu dood
de meester, waardoor ik slaaf ben geweest, is nu dood.
Iuvenes, quibus signum datum est, statim concurrerunt.
De jongemannen, waaraan het teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.
De jongemannen, van wie het teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.
De jongemannen, aan wie een teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.
De jongemannen, waarmee een teken gegeven is, zijn meteen samengekomen.