15.4

Huiswerk
Maak opdracht 28 t/m 41 van 15.3.
De opdrachten met de sterretjes mag je overslaan.
Als de vragen ervoor lukken mag je 36 en 39 ook overslaan.

We gaan nu de moeilijke opdrachten bespreken.
Als alles lukte en er zijn geen vragen: ga aan de slag met 15.4 en probeer opdracht 42
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Huiswerk
Maak opdracht 28 t/m 41 van 15.3.
De opdrachten met de sterretjes mag je overslaan.
Als de vragen ervoor lukken mag je 36 en 39 ook overslaan.

We gaan nu de moeilijke opdrachten bespreken.
Als alles lukte en er zijn geen vragen: ga aan de slag met 15.4 en probeer opdracht 42

Slide 1 - Tekstslide

15.4 DNA en RNA
Belangrijke begrippen:
Nucleïnezuren, nucleotide, DNA, RNA, genetische code, mRNA, eiwitsynthese, Ribosoom, tRNA en mutatie.

Slide 2 - Tekstslide

Wat is DNA en wat is RNA?
Welke rol hebben deze dingen in het menselijk lichaam?

Slide 3 - Open vraag

Leerdoelen
Jij kent de algemene structuren van DNA en RNA
Jij kan de vorming van eiwitten aan de hand van DNA toelichten met behulp van translatie en transcriptie en kan hierbij de gevolgen van DNA mutaties aangeven

Slide 4 - Tekstslide

Watson en Crick

Slide 5 - Tekstslide

Bouw van DNA
Je lichaam heeft veel nieuwe 
eiwitten nodig. De productie van 
eiwitten wordt aangestuurd vanuit
de celkern, de chromosomen.
Deze chromosomen bevatten heel 
veel genen die coderen voor de 
eiwitten. 

Slide 6 - Tekstslide

DNA en RNA
De stoffen in de genen die de hoofdrol spelen in de codering voor eiwitten zijn nucleïnezuren.
Hier zitten 2 soorten stoffen bij: DNA (deoxyribonucleic acid) en RNA (ribonucleic acid).
De backbone wordt gevormd door de polyester van het fosforzuur en het koolhydraat deoxyribose.

Slide 7 - Tekstslide

Dubbele helix

Slide 8 - Tekstslide

DNA vs RNA
Voor de eiwitsynthese is niet alleen 
DNA nodig maar ook RNA. De bouw
van RNA is alleen een klein beetje 
anders dan DNA. -->
Ook zijn er verschillende soorten RNA,
mRNA en tRNA met beide hun eigen
functie.

Slide 9 - Tekstslide

Geef de congruente streng van het volgende stuk DNA:
A-T-T-G-A-C-C-C-A

Slide 10 - Open vraag

Geef de RNA streng die wordt gekopieerd van het volgende stuk DNA: -T-C-G-A-A-C-G-A-

Slide 11 - Open vraag

Eiwitsynthese
DNA bevat dus de info nodig om eiwitten te maken. Dat ligt in de volgorde van de base die vertaald wordt bij de eiwitsynthese. 
Het idee is dat telkens 3 opeenvolgende nucleïne afgelezen worden voor 1 van de 20 aminozuren. 
binas tabel 71G

Slide 12 - Tekstslide

Stap 1 transcriptie
De dubbele DNA helix wordt open gebroken en het DNA wordt afgelezen en overgeschreven. Dit is mRNA

Slide 13 - Tekstslide

Stap 2.1 Translatie
In de translatie wordt in een ribosoom het mRNA omgezet naar eiwitten d.m.v. translatie. De ribosomen matchen een stukje tRNA met het mRNA en bouwen zo het eiwit op. 

Slide 14 - Tekstslide

Welke aminozuren zijn de volgende codes:
CAA, AGA, AUG, AGG, UUG

Slide 15 - Open vraag

Mutaties
foutje bedankt. 
Het kan gebeuren dat er een verandering in het DNA plaatsvind. Een nucleïne wordt verandert, een A wordt een T. In veel gevallen is dit geen drama. Grote stukken DNA coderen nergens voor en andere mutaties geven nog steeds dezelfde aminozuren. 
Maar soms kan het voor een eiwit nare gevolgen hebben. 

Slide 16 - Tekstslide

Leerdoelen:
Jij kent de algemene structuren van DNA en RNA
Jij kan de vorming van eiwitten aan de hand van DNA toelichten met behulp van translatie en transcriptie en kan hierbij de gevolgen van DNA mutaties aangeven

Slide 17 - Tekstslide

Aan die arbeid:
Maak opdracht 42 t/m 47 van 5.4.
Als je moeite hebt met 42 en 43 maak dan daarna eerst 46 voordat je doorgaat. 

Slide 18 - Tekstslide