TBK-week2.5

Wat weet je nog?
Maak de volgende opdrachten
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Wat weet je nog?
Maak de volgende opdrachten

Slide 1 - Tekstslide

Het werkwoord haben
<span style="font-weight: bold">ich</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">du</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">er/sie/es</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">wir</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">ihr</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">sie/Sie</span>
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 2 - Sleepvraag

Het werkwoord sein
<span style="font-weight: bold">ich</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">du</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">er/sie/es</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">wir</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">ihr</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">sie/Sie</span>
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 3 - Sleepvraag

Übersetze:
jij bent

Slide 4 - Open vraag

Übersetze:
zij (enkelvoud) heeft

Slide 5 - Open vraag

Übersetze:
jullie zijn

Slide 6 - Open vraag

Wofür steht:
i d e w i s ?
A
de uitgangen van de werkwoorden
B
de Duitse vertaling van: ik jij hij wij jullie zij

Slide 7 - Quizvraag

<span style="color: rgb(236, 72, 77)"><b>i</b></span>
<span style="color: rgb(236, 72, 77)"><b>d</b></span>
<span style="color: rgb(236, 72, 77)"><b>e</b></span>
<span style="color: rgb(236, 72, 77)"><b>w</b></span>
<span style="font-weight: bold"><span style="color: rgb(236, 72, 77)">i</span></span>
<span style="color: rgb(236, 72, 77)"><b>s</b></span>
e
st
t
en
en
t

Slide 8 - Sleepvraag

Was ist der Stamm von:
'kaufen'
A
kaufen
B
kaufe
C
kauf

Slide 9 - Quizvraag

Was ist der Stamm von:
'radeln' (=fietsen)
A
rad
B
radel
C
rade
D
radeln

Slide 10 - Quizvraag

Übersetze:
jij doet (= machen)

Slide 11 - Open vraag

Übersetze:
jullie praten (= reden)

Slide 12 - Open vraag

Moet je nog iets voor jezelf herhalen?

Slide 13 - Tekstslide