Boekenbattle - literaire begrippen

Fictie & 
Spreekvaardigheid

Boekenbattle
Literaire begrippen

VG3
P3 2021-2022
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Fictie & 
Spreekvaardigheid

Boekenbattle
Literaire begrippen

VG3
P3 2021-2022

Slide 1 - Tekstslide

Literaire begrippen
Waar kun je de begrippen vinden?
Blok 1: realistisch, niet-realistisch
Blok 2: genre, beoordelingswoorden, emotieve/realistische/morele  argumenten
Blok 3: hoofdpersonen, bijfiguren en hoe je deze kunt beschrijven 
Blok 4: spanning en technieken om spanning op te bouwen, tijd, ruimte
Blok 5: tijd, verteltempo, vertelperspectief, verhaalbegin en verhaaleinde,  thema, (leid)motief, moraal

Slide 2 - Tekstslide

Fictie & non-fictie

Fictie Verzonnen verhalen over gebeurtenissen en mensen, die bedacht zijn door de schrijver (leesboek, stripverhaal, film, gedicht).

Non-fictieVerhalen over de werkelijkheid, met feiten over (echte) mensen en (echte) gebeurtenissen. De schrijver heeft het niet bedacht/verzonnen. Het is echt gebeurd (krantenbericht, journaal) of geeft informatie (schoolboek).

Slide 3 - Tekstslide

Realistisch & Niet-realistisch
Realisme In hoeverre kan een verzonnen verhaal wel of niet echt gebeuren? 

Realistisch Een schrijver verzint mensen en gebeurtenissen die erg lijken op de werkelijkheid, die echt zouden kunnen gebeuren.

Niet-realistisch / onrealistisch Een schrijver verzint een verhaal met mensen en gebeurtenissen, die in werkelijkheid niet kunnen gebeuren.

Slide 4 - Tekstslide

Realistisch & Niet-realistisch

Realismelijn Elk verhaal kun je ergens plaatsen op de realismelijn.
Heel realistisch – een beetje realistisch – niet-realistisch

Hoe realistisch is een verhaal? Hoe realistisch een verhaal is, wordt bepaald door de beschrijving van: tijd, omgeving, personages, gesprekken, gedachten, problemen, bezigheden, gebeurtenissen, de afloop.

Slide 5 - Tekstslide

Genres
Genres Een boek kun je indelen bij een genre. Genre = verhaalsoort. Een boek kan tot meerdere genres behoren.

Genre bepalen Het genre bepaal je door te kijken welke onderwerpen/thema's het belangrijkste zijn in een verhaal.

Op de volgende slides worden verschillende genres toegelicht.

Slide 6 - Tekstslide

Genres
Thriller Een spannend verhaal waarin de hoofdpersoon in een levensbedreigende situatie terechtkomt. 

Dystopische roman Een verhaal over een wereld die door rampen of dictatuur bijna niet meer leefbaar is.

Ontwikkelingsroman Een verhaal over het volwassen worden van een (jonge) hoofdpersoon.




Slide 7 - Tekstslide

Genres
Psychologische roman Een verhaal waarin de nadruk ligt op de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon (meer dan op de gebeurtenissen).

Detective Een verhaal waarin een speurder probeert te achterhalen wie een misdrijf heeft gepleegd.

Avonturenroman In een avonturenroman speelt 'een held' de hoofdrol. Er gebeuren allerlei spannende dingen en daar gaat het om.

Slide 8 - Tekstslide

Genres

Fantasy Een verhaal met fantasiewezens in een fantasiewereld.

Science fiction Een toekomstverhaal (vaak in de ruimte/ruimtevaart of nieuwe technieken).

Reisverhaal Een verhaal waarin een verslag wordt gegeven van een reis.


Slide 9 - Tekstslide

Genres
Historische roman Een verhaal waarin een belangrijke gebeurtenis (of gebeurtenissen) uit de geschiedenis een belangrijke rol spelen.

Oorlogsroman Een verhaal dat zich afspeelt in een oorlog (voornamelijk Tweede Wereldoorlog).

Geëngageerde roman Een verhaal waarin eigentijdse problemen in onze samenleving aan bod komen.

Slide 10 - Tekstslide

Mening & Argumenten
Beoordelingswoorden Je mening geef je door beoordelingswoorden te noemen.
(spannend, mooi, verdrietig, interessant, verrassend, etc.)

Argumenten Je beoordelingswoorden onderbouw je met argumenten. Je legt hiermee uit waarom je het boek spannend, interessant of anders vond. Je kunt hierbij ook nog verwijzen naar een fragment uit het boek om je argumenten extra te ondersteunen.

Slide 11 - Tekstslide

Mening & Argumenten

Emotieve argumenten Je gebruikt beoordelingswoorden die aangeven wat een verhaal met je doet (emotie). (maakt me vrolijk - spannend - vol vaart - ontroerend - beklemmend)

Realistische argumenten Je gebruikt beoordelingswoorden die aangeven in hoeverre jij een verhaal realistisch vindt. (geloofwaardig - herkenbaar - bedacht - origineel) 

Morele argumenten Je gebruikt beoordelingswoorden die iets zeggen over de keuzes die de personages maken of over de boodschap die de schrijver wil uitdragen. (Goed voorbeeld - keur ik af - asociaal - rechtvaardig - betrokken)

Slide 12 - Tekstslide

Personages
Hoofdpersoon Dit is de belangrijkste persoon (soms meer dan 1). Van een hoofdpersoon kom je het meeste te weten (gevoelens en gedachten), het grootste deel van het verhaal ‘beleef’ je door zijn/haar ogen. Hij/zij heeft vaak een belangrijk probleem of een opdracht. 

Bijpersonen Deze personen zijn minder belangrijk en je komt over hen minder te weten. Je leert hen minder goed kennen.

Slide 13 - Tekstslide

Relaties tussen personages 

Helpers 
Bijfiguren die de hoofdpersoon helpen om zijn doel te bereiken.

Tegenstanders 
Bijfiguren die de hoofdpersoon tegenwerken.


Slide 14 - Tekstslide

Personages beschrijven

  • Uiterlijk 
  • karaktereigenschappen
  • Kenmerken: geslacht, leeftijd, achtergrond

Slide 15 - Tekstslide

Enkele karaktereigenschappen

Slide 16 - Tekstslide

Personages en hun ontwikkeling

In een verhaal maken personages een ontwikkeling door. Ze worden ouder, volwassen. Ze veranderen van karakter, van gedrag. Ze komen tot inzichten, verwerken wat ze hebben meegemaakt.



Slide 17 - Tekstslide

Personages en jouw mening

Heb je sympathie of juist geen sympathie voor het personage? Kun jij je wel of niet vinden in hun gedrag, keuzes, daden, opvattingen?

Slide 18 - Tekstslide

Personages leren kennen
Direct De informatie over de personages wordt letterlijk in de tekst verwerkt.

Indirect Je moet de informatie zelf afleiden uit wat personages doen, zeggen, denken of uit wat anderen over hem zeggen of denken.

Slide 19 - Tekstslide

Vertelperspectief

Het standpunt van waaruit een verhaal wordt verteld.

  • ik-vertelperspectief
  • personaal vertelperspectief / hij-/zij-vertelperspectief
  • auctoriaal vertelperspectief /alwetende verteller
  • wisselend perspectief


Slide 20 - Tekstslide

Ik-vertelperspectief

De gebeurtenissen worden verteld door een personage in de ik-vorm.

Ik loop in de tuin en zie een mooie roos. Ik pluk hem.

Dit 'verhaal' is in de ik-vorm geschreven. Je kijkt door de ogen van de 'ik'. Je weten alleen wat de hoofdpersoon weet op dit moment in het verhaal.

Slide 21 - Tekstslide

Personaal vertelperspectief

De gebeurtenissen worden in de hij- of zij-vorm verteld.

Ze loopt in de tuin en ziet een mooie roos. Ze plukt hem.

Je weet nog steeds alleen wat 'ze' weet, maar nu wordt er in de zij-vorm geschreven. 

Slide 22 - Tekstslide

Auctoriaal vertelperspectief
De alwetende verteller, speelt zelf geen rol in het verhaal, maar hij weet alles van alle personages en gebeurtenissen. 

'Ze loopt in de tuin en ziet een mooie roos. Ze plukt hem. De nieuwe tuinman staat om de hoek naar haar te kijken, hij houdt zijn schep stevig vast.'

Als lezer weet je meer dan de hoofdpersoon. Je weet ook wat er met andere personages gebeurt en wat er op andere plekken gebeurt. 


Slide 23 - Tekstslide

Alwetende of auctoriale verteller
De alwetende verteller neemt de lezer als het ware aan de hand en leidt hem door het verhaal heen. 

Hij legt uit wanneer er nieuwe personages optreden, wanneer er een tijdssprong gemaakt wordt of wanneer er zaken aan de orde komen die de lezer niet begrijpt.

Slide 24 - Tekstslide

Wisselend vertelperspectief


Als een schrijver kiest voor het ik-perspectief of het hij- of zij-perspectief, dan kunnen verschillende personages elkaar afwisselen als hoofdpersoon en/of verteller.


Slide 25 - Tekstslide

Setting: Tijd 
Chronologische vertelvolgorde De gebeurtenissen in een verhaal worden verteld in de volgorde waarin ze hebben plaatsgevonden.
Hierbij kunnen verwijzingen voorkomen naar dingen die eerder of later in het verhaal gebeuren. De vertelvolgorde wordt daarmee niet onderbroken.

Niet-chronologische vertelvolgorde De gebeurtenissen in een verhaal worden niet verteld in de volgorde waarin ze hebben plaatsgevonden.

Slide 26 - Tekstslide

Setting: Tijd 
Vertelde tijd De tijd die voorbijgaat in een verhaal.

Verteltijd De tijd uitgedrukt in woorden of pagina’s, die gebruikt wordt om het verhaal te vertellen.

Verteltempo Het tempo waarin wordt verteld. 

Slide 27 - Tekstslide

Setting: Tijd
Versnelling De vertelde tijd is lang en de verteltijd is kort. Een langere periode wordt verteld in weinig woorden. 

Vertraging De vertelde tijd is kort en de verteltijd lang. Een korte periode wordt verteld in veel woorden. 

Tijdsprong De schrijver slaat periodes over.  

Slide 28 - Tekstslide

Setting: Ruimte 
Alles wat te maken heeft met plaatsen. Een land, stad, dorp, een huis, een kamer, een straat, een gebouw, een planeet. 

De ruimte kan bestaan, maar ook niet bestaan, herkenbaar zijn of niet  herkenbaar.

De ruimte kan een bepaalde sfeer oproepen, bijvoorbeeld spanning.
Ook kan de ruimte het verhaal verduidelijken.

Slide 29 - Tekstslide

Verhaalbegin
Inleidend begin De schrijver geeft eerst een beeld van de personages en hun situatie. 
Midden in de gebeurtenissen De schrijver valt met de deur in huis (geen inleiding). Later krijg je aanwijzingen over de personages en hun situatie. 
Proloog Een apart hoofdstuk vooraf aan het 1e hoofdstuk. Er wordt al iets verteld over de afloop. Aan het einde begrijp je pas wat hier wordt verteld. Dit wekt extra spanning op. 

Slide 30 - Tekstslide

Verhaaleinde
Open einde Bij een open einde blijven er vragen onbeantwoord.Dat heeft 2 kanten: enerzijds: de lezer wordt aan het denken gezet en kan zijn eigen einde 'kiezen',  anderzijds: de lezer baalt, hij wil weten hoe het afloopt.
Gesloten einde Alle openstaande vragen en 'mysteries' zijn beantwoord.
Acties van personages hebben een (goed of slecht) resultaat.
Epiloog Een epiloog vertelt wat er na het verhaal gebeurde. Het kan een interne monoloog zijn van het hoofdpersonage, of een toelichting op de huidige situatie van de karakters uit het verhaal.

Slide 31 - Tekstslide

Vertelvolgorde

Wanneer een schrijver kiest voor een chronologische volgorde kan hij nog wel vooruitkijken of -kijken in de tijd. Dit noem je:


- Terugwijzingen: een personage denkt terug aan vroeger

- Vooruitwijzingen: een personage of de schrijver blikt vooruit op de toekomst (kan voor spanning zorgen)


De tijdlijn wordt NIET onderbroken.

Slide 32 - Tekstslide

Chronologische vertelvolgorde
Terugverwijzing Verwijzing naar iets wat eerder in het verhaal gebeurde.
Terugverwijzing = kort: enkele woorden of zinnen. Meestal gebeurt dit in de gedachten van een personage.

Vooruitwijzing Een mededeling over iets wat later zal gebeuren of een gedachte van angst of hoop over de toekomst. Vooruitverwijzingen verhogen de spanning.


Slide 33 - Tekstslide

Niet-chronologische vertelvolgorde

De vertelvolgorde wordt met terug- en vooruitverwijzingen niet onderbroken. 

Een flashback doet dit wel (bij een flashback is er sprake van een uitgebreide beschrijving).

Slide 34 - Tekstslide

Thema & Motieven
Thema Verhalen gaan ergens over. Ze hebben een diepere bedoeling.  In één verhaal kunnen meerdere thema's voorkomen.

Verhaalmotieven Gebeurtenissen, gevoelens, situaties, onderwerpen die vaker terugkomen in een verhaal.  

Leidmotief Woorden of zinnen of concrete voorwerpen die vaker (letterlijk) terugkomen in een verhaal. 

Slide 35 - Tekstslide

Moraal

Een wijze les, een boodschap, een advies. 
De schrijver wil iets zeggen over wat goed of fout is en hoe mensen zouden moeten leven.  


Slide 36 - Tekstslide

Manieren van spanning

- Gevaarlijke situatie of omgeving

- Onverwachte wending

- Open plek

- Vermoedens

- Cliffhanger

- Uitstel van het einde

- Informatievoorsprong lezer

Spanningsboog = periode tussen het begin en het einde van de spanning.

Slide 37 - Tekstslide

Manieren van spanning 
Open plekken Er worden vragen bij je opgeroepen. Je moet verder lezen om te ontdekken hoe de open plekken worden ingevuld.  
Vermoedens De schrijver wekt vermoedens bij de lezer. Je moet verder lezen om erachter te komen of je vermoedens juist zijn.  

Uitstel De ontknoping laat op zich wachten.  

Informatievoorsprong De lezer weet iets wat de hoofdpersoon nog niet weet. 

Slide 38 - Tekstslide