Zinsleer - herhalen tot LV/MV

Zinsleer - herhalen
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Zinsleer - herhalen

Slide 1 - Tekstslide

Kan jij het stappenplan
van zinsleer nog noteren?
ja
nee
een beetje
grotendeels

Slide 2 - Poll

Probeer het maar!
- Neem een kladblad en een pen.
- Noteer wat je allemaal nog weet over 
het stappenplan van de zinsontleding.
timer
3:00

Slide 3 - Tekstslide

Oefenen maar!

Slide 4 - Tekstslide

WWG of NWG?
De bromfiets van de jongen was gloednieuw.

A
WWG
B
NWG

Slide 5 - Quizvraag

De gekleurde afbeelding bevindt zich op de muur.
'Zich' is een ...
A
persoonlijk vn
B
onbepaald vn
C
wederkerig vn
D
wederkerend vn

Slide 6 - Quizvraag


Uit welke delen bestaat het WWG in deze zin?

Hij at zijn boterhammen op.
A
PV
B
PV + ADPV
C
PV + INF
D
PV + NWD

Slide 7 - Quizvraag

Een WWG bestaat uit een PV +NWD + eventuele andere werkwoorden.
A
JUIST
B
FOUT

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het WWG in volgende zin:
Ze sprong een gat in de lucht van geluk.
A
ze sprong
B
sprong een gat
C
ze sprong een gat in de lucht
D
sprong een gat in de lucht

Slide 9 - Quizvraag

"De NMBS vervangt de metalen bankjes in het station van Brussel-Noord."
Het WWG in bovenstaande zin is...
A
PV + VD + INF
B
PV + INF
C
PV
D
De bovenstaande zin heeft een NWG.

Slide 10 - Quizvraag


Bevat deze zin een NWG of een WWG?

Na die nederlaag leken de voetballers ontroostbaar.
A
Naamwoordelijk gezegde
B
Werkwoordelijk gezegde

Slide 11 - Quizvraag

Maak een zin met...
  • een onderwerp
  • een naamwoordelijk gezegde

Slide 12 - Tekstslide

Maak een zin met...
  • een onderwerp
  • een werkwoordelijk gezegde
  • een lv

Slide 13 - Tekstslide

Hoe vind je het lijdend voorwerp? 
wie/wat + wwg + onderwerp = lijdend voorwerp. 
Wie of wat
+
wwg
+
lijdend voorwerp
onderwerp
=

Slide 14 - Tekstslide

Wat is het lijdend voorwerp? Stel jezelf de juiste vraag!
De kinderen geven oma bloemen.

Slide 15 - Woordweb

Hoe vind je het lijdend voorwerp? 
Wie of wat
+
wwg
+
lijdend voorwerp
onderwerp
=
Wie of wat           geven                de kinderen =
                                   
                              bloemen

Slide 16 - Tekstslide

Mijn vader
leest
de krant.
Onderwerp
Persoonsvorm
Lijdend Voorwerp

Slide 17 - Sleepvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
Het lijdend voorwerp
De voetbaltrainer
zet
het wedstrijdschema
op het bord.

Slide 18 - Sleepvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
gekeken.
Het lijdend voorwerp
We 
hebben
vanavond
een film

Slide 19 - Sleepvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
Het lijdend voorwerp
Mijn laptop
heb
ik
gisteren
aan Joey
uitgeleend.

Slide 20 - Sleepvraag

gegeven?
dat
Waarom
heb
je
hem
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp

Slide 21 - Sleepvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
altijd 
Het lijdend voorwerp

Waar
zet
jij 
jouw racefiets
neer?

Slide 22 - Sleepvraag

Sneakerverzamelaar Ryan Chang kocht het paar

Welk zinsdeel is het LV?
A
Sneakerverzamelaar Ryan Chang
B
kocht
C
het paar
D
er is er geen

Slide 23 - Quizvraag

Hoe vind ik het LV in een zin ook weer?
A
Wie/wat + O + PV + GEZ
B
Aan wie + PV + O + GEZ
C
Wie/wat + PV + O + GEZ
D
Voor wie + PV + O + GEZ

Slide 24 - Quizvraag

Het meewerkend voorwerp 
Geeft aan voor wie iets bestemd is 
1. Noteer het onderwerp, werkwoordelijk gezegde en lijdend voorwerp. 
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? 
3. Controleer of je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen. 

Slide 25 - Tekstslide

Hoe vind je het meewerkend voorwerp? 
Aan/Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp = mv
Aan wie/
Voor wie
+
gezegde
+
meewerkend voorwerp
onderwerp
=
+
lijdend voorwerp

Slide 26 - Tekstslide

Wat is het meewerkend voorwerp? Stel jezelf de juiste vraag!
De kinderen geven oma bloemen.

Slide 27 - Woordweb

Meewerkend voorwerp
Vaak werkwoorden die iets 
* vertellen, uitleggen, zeggen, ...
* geven, sturen, overhandigen, ....



Tip!
Bij het meewerkend voorwerp moet je de woorden 'aan' of 'voor' toe kunnen voegen of weg kunnen laten.

Slide 28 - Tekstslide

Even checken...
Heb je het begrepen? 

Slide 29 - Tekstslide

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?
A
aan/voor wie + pv + o +lv?
B
aan/voor wie + o + lv?
C
aan/voor wie + wwg + o +lv?
D
aan/voor wie + wwg + lv?

Slide 30 - Quizvraag

Welke vraag stel je om het meewerkend voorwerp in een zin te vinden?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv?
C
wie / wat + o + gezegde?
D
aan wie / voor wie? + wwg + o + lv

Slide 31 - Quizvraag

Wat is het mv?
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
voor de jarige
B
de jarige
C
alle aanwezigen
D
een vrolijk welkomstlied

Slide 32 - Quizvraag

Wat is het mv?
'De jongen schrijft een liefdesbrief aan zijn vriendin.'
A
De jongen
B
een liefdesbrief
C
aan zijn vriendin
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 33 - Quizvraag

Wat is het mv?
'Mijn oma appt mij het recept.'
A
Mijn oma
B
mij
C
het recept
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 34 - Quizvraag

Het meewerkend voorwerp geeft aan voor wie iets bestemd is.
A
juist
B
onjuist

Slide 35 - Quizvraag

onderwerp
PV
ander woord
delen van het WWG
lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp
andere zinsdelen 
(waarom? wanneer? waar? ...)
Om hoe laat
sta
jij
's morgens
op?

Slide 36 - Sleepvraag

Sleep de juiste benamingen (witte vakjes) op
de corresponderende zinsdelen (gele vakjes).
Die overtreding
kostte
hem
de gele kaart.
wwg
lijdend voorwerp
onderwerp
meewerkend voorwerp

Slide 37 - Sleepvraag

Sleep de juiste benamingen (witte vakjes) op
de corresponderende zinsdelen (gele vakjes).
Zij
leent
haar zus
een som geld.
meewerkend voorwerp
onderwerp
lijdend voorwerp
wwg

Slide 38 - Sleepvraag