Herhaling 5.1 5.2 5.3 (klimaat uit 4 vwo)

Welkom bij AK!
Docent: mevrouw van Mechelen
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Welkom bij AK!
Docent: mevrouw van Mechelen

Slide 1 - Tekstslide

Bekijk het examen in 3-4 tallen
Bespreek:
Wat valt je op?
Welk onderdeel ligt jou het meest?
Welk onderdeel wordt het moeilijkst?

Slide 2 - Tekstslide

Individueel: Wat valt je op?

Slide 3 - Open vraag

Wat lijkt mij het moeilijkste domein:
A
Wereld (patronen, globalisering)
B
Aarde (klimaat, gesteente, rampen)
C
Zuid-Amerika (toepassen wereld & aarde)
D
Leefomgeving (water & steden)

Slide 4 - Quizvraag

Wat lijkt mij het makkelijkste domein:
A
Wereld (patronen, globalisering)
B
Aarde (klimaat, gesteente, rampen)
C
Zuid-Amerika (toepassen wereld & aarde)
D
Leefomgeving (water & steden)

Slide 5 - Quizvraag

Samen kijken naar jaarplanning
  • Teams -> op bord
  • Vandaag herhaling 5.1 - circulatiesystemen

Slide 6 - Tekstslide

Hoge- en Lagedrukgebieden
De wind beweegt door luchtdruk verschillen.

Slide 7 - Tekstslide

Lucht gaat van lage druk naar hoge druk
A
Juist
B
Onjuist

Slide 8 - Quizvraag

Hoge- en Lagedrukgebieden
De wind beweegt door luchtdruk verschillen.

Slide 9 - Tekstslide

De wind beweegt door luchtdruk verschillen. Maar hoe ontstaan verschillen in luchtdruk? (hele zinnen)

Slide 10 - Open vraag

Door het corioliseffect gaat de wind niet rechtdoor van hoog naar laag, hij krijgt een afwijking. Met de wind in je rug, krijt op het noordelijk halfrond de wind een afwijking naar.... (1 woord)

Slide 11 - Open vraag

Wet van Buys-Ballot
..EN...

Slide 12 - Tekstslide

Teken nu een correct model in je schrift zonder gebruik van hulpmiddelen
- cirkel
- breedtegraden 0°, 30°, 60°, 90° NB/ZB
- noteer H voor hoge druk L voor lage druk (totaal 9 H+L)
- zet pijlen tussen de hoge & lage drukgebieden die de windrichting aan geeft.
- geef de pijlen de juiste afwijking
Telefoons weg

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

De stralingsbalans is "dynamisch"
t.
Dit betekent dat hij niet op elk moment en niet op elke plek de hele tijd in balans is. 
Leg dit uit.

Slide 15 - Tekstslide

Zelfstandig aan de slag
Lees 5.1
Maak opdracht 2+3
We bespreken deze opdrachten aan de start van volgende les!

Slide 16 - Tekstslide

Klimaatfactoren en Köppen
Herhaling vwo 4 H1

Slide 17 - Tekstslide

Landschapszones - met gegroepeerde typen landschappen. Bijvoorbeeld?

Slide 18 - Tekstslide

Noem 1 landschapszone

Slide 19 - Woordweb

Noem een typisch vegetatietype subtropische zone

Slide 20 - Woordweb

Binnen een landschapszone komen verschillende klimaten voor

Slide 21 - Tekstslide

klimaatfactoren bepalen welk klimaat overheerst in een gebied

Slide 22 - Tekstslide

Noem de 5 klimaatfactoren (ieder antwoord los geven)

Slide 23 - Woordweb

Er zijn 5 klimaatfactoren die klimaat het bepalen
  1. De geografische breedteligging
  2. Land-zeeverdeling
  3. Hoogteligging
  4. ligging van gebergten
  5. Invloed van zeeën en oceanen

Slide 24 - Tekstslide

geografische breedteligging
Algemene regel:
Hoe verder van de evenaar hoe kouder het is.

Dit komt doordat:
  1. Zonnestralen warmte verliezen naarmate ze langer onderweg zijn.
  2. De zonnestralen op hogere breedte een groter oppervlak moeten verwarmen.
Bespreken

Slide 25 - Tekstslide

1. geografische breedteligging
Algemene regel:
Hoe verder van de evenaar hoe kouder het is.

Dit komt doordat:
  1. Zonnestralen warmte verliezen naarmate ze langer onderweg zijn.
  2. De zonnestralen op hogere breedte een groter oppervlak moeten verwarmen.

Slide 26 - Tekstslide

2. Land-zeeverdeling
van invloed op neerslag en temperatuur
Algemene regels:
Wind van zee brengt meer neerslag met zich mee dan wind over land.

Verder van zee zijn de temperatuurverschillen tussen zomer en winter groter dan bij zee.

Bespreken

Slide 27 - Tekstslide

Land-zeeverdeling
van invloed op neerslag en temperatuur
Algemene regel:
Wind van zee brengt meer neerslag met zich mee dan wind over land.

Verder van zee zijn de temperatuurverschillen tussen zomer en winter groter dan bij zee.

Slide 28 - Tekstslide

Wat is een moesson?

Slide 29 - Open vraag

Moesson

Slide 30 - Tekstslide

Hoe komt het dat de moesson halfjaarlijks van richting verandert?
A
Door de draaiing van de aarde
B
Door het verschil tussen zomer en winter
C
Door het verschuiven van de IOMZ
D
Door t verplaatsen van het lage druk gebied

Slide 31 - Quizvraag

3. Hoogteligging
Algemene regel: Hoe hoger hoe kouder.

Per 1000 meter stijging daalt de temperatuur 6 graden.

(per 100 meter stijging -0,6 graden)

Slide 32 - Tekstslide

Hoe heet de neerslag die ontstaat door lucht die gedwongen opstijgt door gebergtes?

Slide 33 - Open vraag

Hoe heet de kant van het gebergte waar de neerslag valt?

Slide 34 - Open vraag

4. Ligging van gebergte
Algemene regel:
Wind van zee neemt waterdamp mee, bij het gebergte stijgt de lucht, koelt af, waterdamp condenseert en dat geeft neerslag.

Slide 35 - Tekstslide

Gebruik bron 6 uit 5.2.
Waarom is het verschil tussen de gemiddelde zomer- en wintertemperatuur aan de westkust van Noorwegen kleiner dan in het oosten?


Slide 36 - Tekstslide

Waarom is het verschil tussen de gemiddelde zomer- en wintertemperatuur aan de westkust van Noorwegen kleiner dan in het oosten? Schrijf je antwoord op in oorzaak-gevolg structuur.

Slide 37 - Open vraag

Gebruik 5.2 bron 6.
Waarom is het verschil tussen de gemiddelde zomer-en wintertemperatuur aan de westkust van Noorwegen kleiner dan in het oosten?

Oorzaak: langs de westkust stroomt een relatief warme golfstroom. Het oosten ligt niet aan zee. 
Gevolg: Deze warme zeestroom heeft een verwarmend effect in de winter. Waardoor temperaturen aan de westkust minder laag zijn in de winter dan in het oosten.

Slide 38 - Tekstslide

5. De invloed van zeeën en oceanen
Algemene regels: 
1. Hoe verder van zee, hoe minder neerslag er valt.
2. Wind van zee heeft in de winter een verwarmend effect op het land en in de zomer een verkoelend effect.

3. Warme zeestromen kennen meer verdamping en hebben een verwarmend effect. Koude zeestroom heeft minder verdamping en een verkoelend effect.

Slide 39 - Tekstslide

Bespreek met je buur
Bron 4+bron 6
Waar staan de grote en kleine letters van de Köppen klimaat classificatie ook al weer voor?
(je wordt zometeen getest)

Slide 40 - Tekstslide

hoort er niet bij
Af
Aw
BS
BW
Cf
Cw
Cs
Df
Dw
Ds
ET
EH

Slide 41 - Sleepvraag

Stap 1:
neerslag
temperatuur
A
koudste maand ≥18
tropisch
B
geen-weinig
aride
C
koudste maand ≥-3
warmste maand ≥10
zee / maritiem
D
koudste maand ≤-3
warmste maand ≥10
land / continentaal
E
warmste maand ≤-10
polair

Slide 42 - Tekstslide

hoort er niet bij
Af
Aw
BS
BW
Cf
Cw
Cs
Df
Dw
Ds
ET
EH

Slide 43 - Sleepvraag

Volgende les
Bespreken antwoorden & vragen 5.1 opdracht 2+3
Zelfstandig werken aan op niveau komen met beantwoorden vragen 5.2+5.3.

Slide 44 - Tekstslide