Keuzevoorzetsels: uitleg en oefenen

Heute:
  • keuzevoorzetsels deel 3

  • Opdrachten maken in het boek, Grammatik D
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Heute:
  • keuzevoorzetsels deel 3

  • Opdrachten maken in het boek, Grammatik D

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem het verschil tussen een voorzetsel en het lidwoord

Slide 2 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Keuzevoorzetsels:
Bij beweging/richting stel je de vraag ... en krijg je de naamval...
A
Wohin? + 4
B
Wann? +3
C
Wo?+4
D
Wohin? +3

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij de 3e naamval stel je deze twee vragen:
A
WO + WOHIN
B
WO + WANN
C
WANN + WARUM
D
WIE UND WANN

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Stappenplan
1. Vertaal de zin en bepaal de naamval (stel vragen, zie schema)

2. Bepaal het geslacht: m,v,o, of mv

3. Der- of Ein-Gruppe? Kies de juiste tabel

4. Zoek de uitkomst in de tabel.

4e naamval: Wir fahren in die Stadt.
- Wohin? = plaats (ergens naartoe) = beweging
3e naamval: 
Ich bleibe heute Nachmittag in der Schule.
- Wo? = plaats (ergens zijn) = rust
Let op: bij tijdsbepaling krijgen keuzevoorzetsels andere betekenis: 
Vor einer Woche hatte ich eine Prüfung. (vor=geleden)
In einem Monat beginnen die Sommerferien. (in=over)
An einem Sonntag bin ich ins Kino gegangen. (an=op)
- Wann? = tijd


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

7/2 regel: er is geen sprake van plaats of tijd bij het stukje met  keuzevoorzetsel
 Deze 7 voorzetsels krijgen de 3 naamval:
an, zwischen, in, vor, neben, unter 
Beispiel: Unter diesen Umständen kann ich nicht lernen! 

Deze 2 voorzetsels krijgen de 4e naamval: 
auf + über
Beispiel: Ich rede nicht über meine Vergangenheit

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volgende dia's - kijk naar het stukje met het voorzetsel 



Is er sprake van plaats, tijd of 7/2 regel?

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Am 16.Oktober habe ich Geburtstag.
A
plaats
B
tijd
C
7/2 regel

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Der Lehrer erzählt uns über den zweiten Weltkrieg.
A
7/2 regel
B
tijd
C
plaats

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Let op: moeilijkheidsgraad gaat omhoog -  
nu moet je naast de regel ook

 de naamval bepalen

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Warte bitte auf deine Freundin!
A
plaats = 3e naamval
B
plaats = 4e naamval
C
7/2 regel = 4e naamval
D
7/2 regel = 3e naamval

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nächste Woche fahren wir ans Meer.
A
7/2 regel = 3e nv
B
plaats: rust - 3e nv
C
7/2 regel=4e nv
D
plaats: beweging - 4e nv

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul in.
Mein Fahrrad steht vor unser...…. Haus.
A
unserem
B
unseres
C
unser
D
uns

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De fiets staat vor onze.... huis.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
1. Het werkwoord 'staat' is geen beweging. Je kunt vragen 'waar' = 3e naamval 
2.Het bezittelijk voornaamwoord "unser" hoort bij Ein-Gruppe. 3. Het woord "Haus" is onzijdig (het-woord).
Dus: Das Fahrrad steht vor unserem Haus

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bij tijdsbepaling krijgen 3 keuzevoorzetsels andere betekenissen dan bij plaatsbepaling
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

"op 2 februari" betekent
A
am zweiten Februar
B
auf zweiten Februar

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

"op een dinsdag" betekent:
A
auf ein Dienstag
B
an einem Dienstag

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

"Vor einer Woche" betekent
"een week geleden"
A
juist
B
onjuist

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

"over twee dagen" betekent:
A
über zwei Tagen
B
in zwei Tagen

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

"Vor einem Jahr" betekent:
A
een jaar gelden
B
voor een jaar

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vor ein... Monat hatte ich eine Grippe.
A
ein
B
einen
C
einem
D
eine

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(Over een) Woche (v) habe ich Ferien!
A
In einer
B
Über eine

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul in.
Das Heft fällt auf d...…...Boden (m).
A
dem
B
das
C
den
D
die

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord + uitleg stappenplan:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
1. Het werkwoord 'vallen' is een beweging = 4de naamval 
2. Bij een d... kijk je in de "Der-Gruppe"
3. Het woord "Boden" is mannelijk.

Dus: Das Heft fällt auf den Boden (m).


Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heb jij behoefte aan een extra "vragen-uurtje" / "oefen-uurtje" deze of volgende week?
A
ja
B
nee

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Jetzt Du!
Pak je boek op blz. 36-37 en bekijk/ maak de opdrachten 7+8 van Grammatik D Kapitel 4. Lees ook even wat er staat aan grammatica uitleg op blz. 19

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mein Opa setzt sich auf d... Bank (v) im Park.
A
der
B
dem
C
den
D
die

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Keuzevoorzetsels:
Bij 3e naamval krijg je volgende vragen [meerdere antwoorden]

A
Wohin?
B
Wann?
C
Wo?
D
Warum?

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 31 - Link

Deze slide heeft geen instructies