28 sept -der/die/das en hoofdletters

Was machen wir heute?
Doel 4: Je kent de mannelijke, vrouwelijke en onzijdige lidwoorden.
Doel 5: Je weet wanneer je hoofdletters gebruikt.
Kap. 2 - oefeningen 15-16-17

Woorden Kap. 1 en 2 leren (DINSDAG TOETS!!)
Vlog
Zeitschrift




1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Was machen wir heute?
Doel 4: Je kent de mannelijke, vrouwelijke en onzijdige lidwoorden.
Doel 5: Je weet wanneer je hoofdletters gebruikt.
Kap. 2 - oefeningen 15-16-17

Woorden Kap. 1 en 2 leren (DINSDAG TOETS!!)
Vlog
Zeitschrift




Slide 1 - Tekstslide

De woorden DE, HET en EEN zijn:
A
lidwoorden
B
zelfstandige naamwoorden
C
werkwoorden
D
eigennamen

Slide 2 - Quizvraag

Welke lidwoorden hebben we in het Duits?

Slide 3 - Open vraag

Geslacht

der = mannelijk (m)

die = vrouwelijk (v)

das = onzijdig (o)

die = meervoud (mv)

Slide 4 - Tekstslide

der


mannelijke personen

mannelijke dieren

mannelijke beroepen

dagen

maanden

dagdelen

jaargetijden

die


vrouwelijke personen

vrouwelijke dieren

vrouwelijke beroepen

woorden op -heit/-keit/-ung/

-ion/-ei/-ität/-e

Slide 5 - Tekstslide

das


veel 'het'-woorden in het Nederlands


verkleinwoorden (-chen)

die


woorden in het meervoud

Slide 6 - Tekstslide

DER (m)
DIE (v)
DAS (o)
DIE (mv)
Schule
Mädchen
Haus
Abend
Kuh
Kaninchen
Möglichkeit
Sommer
Kinder
Aufgaben

Slide 7 - Sleepvraag

Welke Duitse lidwoorden ken je?

Slide 8 - Open vraag

Welke woorden krijgen het lidwoord 'der'

Slide 9 - Open vraag

Voor welke woorden komt het lidwoord 'die'?

Slide 10 - Open vraag

Kind
A
der
B
die
C
das

Slide 11 - Quizvraag

... Dienstag
A
der
B
die
C
das

Slide 12 - Quizvraag

... Übung
A
der
B
die
C
das

Slide 13 - Quizvraag

Klasse
A
der
B
die
C
das

Slide 14 - Quizvraag

Freundin
A
der
B
die
C
das

Slide 15 - Quizvraag

Mädchen
A
der
B
die
C
das

Slide 16 - Quizvraag

Freiheit
A
der
B
die
C
das

Slide 17 - Quizvraag

... September
A
der
B
die
C
das

Slide 18 - Quizvraag

... Kater
A
der
B
die
C
das

Slide 19 - Quizvraag


... Restaurant
A
der
B
die
C
das
D
die - meervoud

Slide 20 - Quizvraag

Wanneer gebruik je in het Duits hoofdletters?

Slide 21 - Woordweb

Hoofdlettergebruik in het Duits
Bekijk volgende zinnen:

  1. Wir lernen Deutsch in der Schule. 
  2. Heute macht Anna einen Schulausflug nach Berlin. 

Wat valt op?

Slide 22 - Tekstslide

Wanneer een hoofdletter:
1. Begin van een zin. 
2. Namen, plaatsnamen, merken etc. 
3. Zelfstandige naamwoorden. 

Slide 23 - Tekstslide

Het zelfstandig naamwoord
Een zelfstandig naamwoord is een woord dat een zelfstandigheid aanduidt. Zo kan het bijvoorbeeld aanduiden:

- een persoon of dier (man, vrouw, oom, hond) 
- een eigennaam (Gerrit, Coca Cola, Apple)
- een ding (plant, fiets, berg)
- een gebeurtenis (ontvoering, feest)
- een plaats (Amsterdam, kantoor)
- niet-concrete dingen (geluk, warmte)

Slide 24 - Tekstslide

Het zelfstandig naamwoord
Vóór een zelfstandig naamwoord kan je een lidwoord (de, het of een) zetten, kijk bijvoorbeeld naar de volgende zin:
 


Ik heb onze fietsen schoongemaakt samen met Freek en zijn kinderen.

- fietsen is een zelfstandig naamwoord (de fietsen)
- Freek is een zelfstandig naamwoord (eigennamen zijn altijd zelfstandig)
- kinderen is een zelfstandig naamwoord (de kinderen)

Slide 25 - Tekstslide

Wel of geen hoofdletter?
A
die mutter
B
die Mutter

Slide 26 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
das pferd
B
das Pferd

Slide 27 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
zehn
B
Zehn

Slide 28 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
grün
B
Grün

Slide 29 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
berlin
B
Berlin

Slide 30 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
Deutschland
B
deutschland

Slide 31 - Quizvraag