MACT oefenen voor de begrippentoets!

MACT 5.1 oefenen voor de begrippentoets!
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 33 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

MACT 5.1 oefenen voor de begrippentoets!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontwikkeling van de mens
De ontwikkeling wordt aan de hand van levensfases besproken. 
Een levensfase is een periode in iemands leven die anders is dan andere periodes. Deze worden onderscheiden:


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontwikkelingspsychologie baby/ dreumes

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dreumes

Dreumesen: kinderen van 1 tot 2 jaar.


Een dreumes kan al steeds meer zelf. De bewegingen zijn meer gecontroleerd, hij kan los staan en begint meestal net met lopen. Een dreumes kan zelf uit een fles of beker drinken en een boterham eten. En hij begint de eerste woordjes te zeggen. Een dreumes kan eenkennig zijn en hij krijgt steeds meer een eigen willetje. Een dreumes is zich nog niet bewust van de gevolgen van zijn gedrag.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de peuter
De peuter gaat naar de crèche.
de kleuter
De kleuter mag naar de basisschool.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

- Worden zelfstandiger; lopen en praten
- Peuterpubertijd
- Geen inlevingsvermogen
- Magisch denken
Ontwikkeling van peuters 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Peuter Puberteit
  • Peuterpuberteit (twee is nee). Verzetten tegen ouder en wil zelfstandig zijn
  • Scheidingsangst
  • Nog niet inleven in een ander
  • Kunnen vaak net praten
  • Zijn gericht op hier en nu
  • spelen niet echt samen, maar naast elkaar




Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grove motoriek

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grove motoriek 
De grove motoriek zijn de grote bewegingen die een kind leert en maakt. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grove motoriek
3 maanden
Omrollen, hoofde optillen
6 maanden
Zitten met hulp
9 maanden
Zelfstandig zitten, kruipen
10-11 maanden
Staan
12-14 maanden
Lopen

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fijne motoriek 
De fijne motoriek zijn de kleinere bewegingen en handmotoriek zoals kunnen schrijven, tekenen of knutselen. 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

FIJNE MOTORIEK
  • Tekenen
  • Kleuren
  • Knopen dicht doen
  • Veters strikken
  • Knippen
  • schrijven
  • kralen rijgen

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kinderopvang is een verzamelterm

- kinderdagverblijf: 0 - 4 jaar
- peuterspeelzaal: 2 - 4 jaar, voorbereiding basisschool
- bso: 4 - 13 jaar
- brede school: werkt samen met verschillende organisaties; peuterspeelzalen/sportinstellingen
- ikc: denken hetzelfde over opvang en onderwijs

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een kinderdagverblijf?
Opvang voor kinderen van 0-4 jaar 
die nog niet naar school gaan. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema knutselen op een kinderdagverblijf

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelgroepen
  • Baby's en dreumesen
  • Peuters en kleuters
  • Schoolkinderen en jongeren
  • Mensen met een beperking
  • Ouderen

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten activiteiten
Soorten activiteit:
  • Individuele activiteit
  • Sociale activiteit
  • Groepsactiviteit
  • Educatieve activiteit
  • Recreatieve activiteit
  • Sportieve activiteit

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sociale en recreatieve activiteiten
  • sociale activiteiten

contact maken

scrabbelen

rolstoelhockey


  • recreatieve activiteiten

ontspanning (zie afbeelding)


Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Educatieve activiteiten 
Educatieve activiteiten leren de deelnemers iets. Ze krijgen kennis over een onderwerp. Die kennis slaan deelnemers op in het geheugen

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Horizontale en verticale groep

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Horizontale of verticale groep? 
Horizontale groep: 
- De leeftijd van de deelnemers zijn gelijk of de deelnemers hebben dezelfde leeftijdscategorie (voorbeeld: jullie klas)
Verticale groep: 
- Hebben de deelnemers verschillende leeftijden (voorbeeld: bioscoopfilm voor alle leeftijden) 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem twee voor- en nadelen van horizontale en verticale groepen? 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Homogene groep
  • Het woord homo betekent ‘gelijk’. In een homogene groep hebben de deelnemers een gemeenschappelijk kenmerk. 
  • Bij homogene groepen lijken de zorgvragers in sommige opzichten op elkaar. Denk aan sekse, leeftijd en problematiek.
  •              

    Slide 23 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Heterogene groep
    • Het woord hetero betekent ‘verschillend’. De deelnemers zijn verschillend. 
    • Een groep met mannen en vrouwen is een voorbeeld van een heterogene groep. 


    Slide 24 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Draaiboek

    Wat is een draaiboek?
    Waar gebruik je het voor?

    Slide 25 - Tekstslide

    Wat is een draaiboek? 
    een algemene benaming voor een medium/communicatiemiddel, dat refereert aan een gebeurtenis, script of evenement, waarin tot in detail beschreven staat wat er gebeuren moet, welke middelen daarvoor nodig zijn en wie welke taken heeft.

    Waarom gebruik je een draaiboek?
    bv:
    - vooraf de werkzaamheden goed in beeld krijgen
    - wie heb je allemaal nodig
    - wat heb je allemaal nodig
    - op het moment zelf de regie goed kunnen voeren, gaat alles nog volgens planning?
    Draaiboek:
    • Een draaiboek is een uitgewerkt plan van aanpak van een activiteit.
    • In een draaiboek staat in de juiste volgorde wat wanneer gedaan en georganiseerd moet worden.

    • Bv> activiteit bedenken voor een doelgroep en waarom, collega's informeren/vragen, datum prikken, uitnodigingen versturen, boodschappen voor de activiteiten, materialen klaarzetten, doelgroep ontvangen, activiteit starten, materiaal opruimen, feedback vragen (tips/ tops doelgroep, evalueren met collega's over de gegeven activiteit.

    Slide 26 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Onderdelen draaiboek - de 7 W's
    1. WAAROM
    2. WIE
    3. WAT
    4. WAAR
    5. WANNEER
    6. WELKE manier (hoe)
    7. WAT daarna

    Slide 27 - Tekstslide

    1. WAAROM? Voor welke gelegenheid bv.? Naar aanleiding van de gevonden reden(en) bepaal je wat voor een activiteit je gaat organiseren.
    2. WIE? Voor wie, welke leeftijdsgroepen wil je een activiteit gaan organiseren?
    3. WAT? Wat doen? Dit heeft te maken wat voor een doelgroep c.q. leeftijdsgroep je voor ogen hebt. 
    4. WAAR? Als je weet wat voor een activiteit voor wie gaat organiseren moet je gaan plannen waar je deze activiteit kunt gaan houden. Houdt hierbij rekening met de doelgroep. 
    5. WANNEER? Je moet hierbij rekening houden met bijv.: (School)vakanties, beschikbaarheid van de accommodatie zelf, wordt er nog meer georganiseerd op dat moment? En houd rekening met de voorbereidingstijd die je nodig hebt!
    6. WELKE manier? Hoe en op welke manier ga jij deze activiteit op dat tijdstip in die accommodatie met deze groep mensen organiseren? 
    De eerste vijf W’s zijn snel te beantwoorden. Maar hoe je de activiteit gaat organiseren gaat niet zo snel. Daar komt veel meer bij kijken! Hier kom ik in de volgende sheet op terug. 
    7. WAT daarna? Als de activiteit afgelopen is, is de organisatie nog niet afgelopen. Want er moet nog opgeruimd worden, maar het nabespreken (evalueren) van de activiteit is eigenlijk nog belangrijker. Waarom? Omdat je n.a.v. de evaluatie weer kunt leren voor een volgende keer. Kom ik straks op terug. 

    Slide 28 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Evalueren
    Evalueren is zoiets als nabespreken.  

    Je bespreekt wat er goed ging en wat niet. Je komt met ideeën voor verbetering (tips en tops) en trekt een conclusie. 

    In de zorg wordt veel geëvalueerd.

    Slide 29 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Hoe bewaren in de koelkast?

    Slide 30 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Slide 31 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Schoonmaakkast, voorraadkast, materialenkast

    Slide 32 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Objectief en subjectief

    Objectief = feit
    Subjectief = mening

    Slide 33 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies