Werkwoordspelling verleden tijd

28-09-2021
Werkwoordspelling deel 2
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

28-09-2021
Werkwoordspelling deel 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoordspelling
Wat hebben we de vorige les besproken?

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vorige les:
- Een werkwoord is een 'doe-woord'.
- De persoonsvorm is een werkwoord.
- De stam is het hele werkwoord -en.

- Werkwoorden vervoegen:
enkelvoud> ik= stam; jij/hij/zij=stam +t
meervoud> wij/jullie= hele werkwoord

Staat jij achter de pv? Dan géén t! 
Dus: wandel jij naar school? 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Goed of fout?
Het is de tegenwoordige tijd.
Fout is natuurlijk: steund. Dit moet zijn: steunt.
(Het hele werkwoord: steunen. De stam: steun)
Bron: Taalfouten spotten.

_______ je moeder ook dat jij minder moet gamen?
A
vind
B
vindt
C
vint
D
vinden

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

________ jij dan ook dat ik minder moet gamen?
A
vind
B
vindt
C
vint
D
vinden

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag:
Werkwoordspelling verleden tijd

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoordspelling verleden tijd

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoordspelling verleden tijd

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verleden tijd

Hij ________ op de bus
A
wachte
B
wacht
C
wachtte
D
wachtten

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Max en zijn broertje __________ vorig jaar naar de Randstad.
A
verhuisde
B
verhuisden
C
verhuiste
D
verhuisten

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij _______ de kamer helemaal paars.
A
Verfte
B
Verften
C
Verfde
D
Verfden

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

                                 Opdracht 1

Maak zelf een schema waarin duidelijk wordt:
- hoe je werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegt;
- hoe je werkwoorden in de verleden tijd vervoegt;
- eventuele uitzonderingen; 
- hoe je het ex-kofschip vervoegt. 

Werk het schema uit op papier. 
Gebruik eventueel het internet. 
                                   Opdracht 2

A. Wat zijn sterke werkwoorden? En wat zijn zwakke werkwoorden? 

B. Maak de volgende oefeningen:

C. Maak een invulopdracht voor een andere leerling. Bedenk minimaal zes zinnen. Gebruik elke vervoeging minstens één keer (tegenwoordige tijd, verleden tijd, zwakke werkwoorden en sterke werkwoorden)



Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat heb je geleerd?
Werkwoordspelling:
Je kunt:
- werkwoorden vervoegen tegenwoordige tijd;
- werkwoorden vervoegen verleden tijd;
- het ex-kofschip toepassen.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies