mening, argumentSignaalwoorden

Lezen
timer
10:00
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Lezen
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een  mening en argument?

Slide 2 - Tekstslide

Wat is een mening en argument

Slide 3 - Open vraag

Theorie 

Meningen: een mening is iets wat iemand vindt.
Argument: reden waarom je een bepaalde mening hebt

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Feit/mening
  1. Noem een feit
  2. Noem een mening

Slide 6 - Tekstslide

een feit:

Slide 7 - Woordweb

Feit/mening/argument
  1. Noem een feit
  2. Noem een mening
  3. Noem een argument

Slide 8 - Tekstslide

een mening:

Slide 9 - Woordweb

Feit/mening/argument
  1. Noem een feit
  2. Noem een mening
  3. Noem een argument

Slide 10 - Tekstslide

een argument:

Slide 11 - Woordweb

wat is een argument
A
een argument is bewijsbaar
B
een argument is een reden waarom jij iets vindt

Slide 12 - Quizvraag

'Ik kon mij totaal niet inleven in Isabel, ze deed telkens zo gek.'
Dit is een...
A
feit
B
feit + argument
C
mening + argument
D
mening

Slide 13 - Quizvraag

Hoe noem je de uitleg bij een beoordelingswoord?
A
Reden
B
Argument
C
Een reden of argument

Slide 14 - Quizvraag

1. De smartphone is onmisbaar.
2. Heel veel jongeren voelen zich ongelukkig zonder smartphone.
A
2 = feit
B
2 = mening
C
2 = argument

Slide 15 - Quizvraag

Staat hier een feit, mening of argument?

Omdat hij vreemde ideeën heeft.
A
argument
B
Mening
C
feit

Slide 16 - Quizvraag

Wat doe je als je een argument weerlegt?
A
Dan bevestig je het argument
B
Dan bedenk je een argument
C
Dan herhaal je een argument
D
Dan ga je tegen het argument in

Slide 17 - Quizvraag

Staat hier een feit, mening of argument?

Omdat hij goede standpunten heeft.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 18 - Quizvraag

Is DAARNAAST een signaalwoord van
A
tegenstelling
B
conclusie
C
tijd
D
opsomming

Slide 19 - Quizvraag

net als
A
doel/middel
B
vergelijking
C
opsomming
D
voorwaarde

Slide 20 - Quizvraag

DAARDOOR
A
oorzaak/gevolg
B
samenvatting
C
tegenstelling
D
reden/verklaring

Slide 21 - Quizvraag

maar
A
opsomming
B
vergelijking
C
tegenstelling
D
conclusie

Slide 22 - Quizvraag

TOEN
A
vergelijking
B
toelichting/voorbeeld
C
opsomming
D
tijd

Slide 23 - Quizvraag

Wat vond je goed of minder goed aan deze les?

Slide 24 - Open vraag

Slide 25 - Video