LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Examentraining
Bloedsomloop en bloed: zo pak je examenvragen aan
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Examentraining
Bloedsomloop en bloed: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: melvil / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Wat ga je kunnen?
Ik kan delen van het hart en bloedvaten aanwijzen en gegevens uit een schema of grafiek halen.
Deze slide heeft geen instructies
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat wordt er gevraagd? Een deel, een bloedvat of een richting?
2. Kijk: bekijk de afbeelding goed: letters, pijlen, kleuren en de dikte van de wand.
3. Denk: welk begrip uit de les hoort hierbij?
4. Controleer: klopt je antwoord met alles wat je op de afbeelding ziet?
Deze slide heeft geen instructies
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Vraagtype 1: delen van het hart aanwijzen
Je krijgt een schema van het hart met letters.
In een schema zit de rechterkant van het hart links in beeld.
Blauw is zuurstofarm bloed en rood is zuurstofrijk bloed.
De linkerkamer heeft de dikste wand.
Syllabus BI/K/9, specificatie 5: delen van het hart in afbeeldingen aanwijzen. Laat leerlingen eerst de kleur bekijken: de linkerkant van het hart bevat zuurstofrijk bloed. KB/GT: ook de dikte van de wand gebruiken.
Welk deel van het hart is A?
Rechterkamer
Linkerboezem
Linkerkamer
Rechterboezem
A ligt in de rode helft (zuurstofrijk bloed) en heeft de dikke wand: linkerkamer. Verwachte fout: rechterkamer kiezen omdat de letter aan de rechterkant van het plaatje staat. In het schema zit de linkerkant van het hart rechts in beeld. Image credit: Eigen schema voor deze les
Welk bloedvat is B?
Longslagader
Longader
Aorta
Holle ader
B is de rode pijl die het hart verlaat: de aorta. Verwachte fout: longslagader kiezen. Die voert zuurstofarm (blauw) bloed van het hart af. Image credit: Eigen schema voor deze les
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Vraagtype 2: bloedvaten herkennen
Je krijgt tekeningen van bloedvaten met letters.
Slagader: dikke wand en een smalle holte.
Ader: dunne wand, wijde holte en kleppen.
Haarvat: heel dun, de wand is één cellaag.
Syllabus BI/K/9, specificatie 5: bloedvaten in afbeeldingen aanwijzen en onderscheiden naar wand en kleppen. BB, KB en GT.
Welk bloedvat is A?
Slagader
Ader
Haarvat
Lymfevat
A heeft een dikke spierwand en een smalle holte: slagader. Verwachte fout: ader kiezen omdat het vat dik lijkt. Image credit: Eigen schema voor deze les
Waaraan zie je dat bloedvat B een ader is?
Dikke wand, geen kleppen
Wand van één cellaag
Voert bloed van het hart af
Dunne wand en kleppen
Kleppen en een dunne wand horen bij een ader. Een wand van één cellaag is een haarvat. Verwachte fout: denken dat kleppen in een haarvat zitten. Image credit: Eigen schema voor deze les
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Vraagtype 3: een bloedsomloopschema lezen
Volg de pijlen: die laten zien welke kant het bloed op gaat.
Van het hart af is een slagader, naar het hart toe is een ader.
Naar de longen en terug: kleine bloedsomloop.
Naar de rest van het lichaam en terug: grote bloedsomloop.
Syllabus BI/K/9, specificatie 5 (grote en kleine bloedsomloop) en vaardigheid 3.2 (informatie uit schema's halen). BB, KB en GT. De kleuren helpen: blauw is zuurstofarm, rood is zuurstofrijk.
Welke naam hoort bij bloedvat D?
Aorta
Holle ader
Longader
Longslagader
D loopt van het lichaam naar de rechterboezem: de holle ader. Verwachte fout: aorta kiezen, die loopt juist van de linkerkamer naar het lichaam (C). Image credit: Eigen schema voor deze les
Door welke bloedsomloop loopt het bloed in bloedvat A?
Kleine bloedsomloop
Grote bloedsomloop
Allebei de bloedsomlopen
Geen van beide bloedsomlopen
A voert bloed van de rechterkamer naar de longen: de kleine bloedsomloop. Verwachte fout: grote bloedsomloop kiezen omdat het bloed van het hart af gaat. Image credit: Eigen schema voor deze les
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Vraagtype 4: een grafiek lezen
Kijk eerst wat er op de assen staat.
Zoek de hoogste en de laagste punten van de lijn.
Trekken de kamers samen? Dan stijgt de druk in de slagader.
Ontspannen de kamers? Dan daalt de druk.
Syllabus BI/K/9, specificatie 5 en vaardigheid 3.2 (informatie uit diagrammen halen). Alleen KB/GT: het principe van de verandering van druk in de kamers en slagaders; voor BB gaat het om het lezen van de grafiek. De grafiek is een schema zonder getallen.
Wat doet de linkerkamer op moment A?
Ontspannen en zich vullen
Stilstaan, zonder te pompen
Samentrekken en pompen
Bloed naar de longen pompen
Op A is de druk in de aorta het hoogst: de linkerkamer perst bloed de aorta in. Verwachte fout: denken dat de kamer dan juist ontspant. Image credit: Eigen schema voor deze les
Wat gebeurt er met de druk tussen A en B?
Stijgt, de kamer trekt samen
Daalt, de kamer ontspant
Blijft gelijk
Stijgt, de kleppen sluiten
De lijn gaat van hoog naar laag: de druk daalt omdat de linkerkamer ontspant. Verwachte fout: de grafiek niet naar rechts volgen en toch stijging kiezen. Image credit: Eigen schema voor deze les
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Delen van het hart aanwijzen
Bloedvaten herkennen
Een schema van de bloedsomloop lezen
Een grafiek lezen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.
LICHAAM · BLOEDSOMLOOP
Tips voor op het examen
Kijk bij een hartschema eerst naar de kleur: rood is links, blauw is rechts.
Slagader: van het hart af en een dikke wand. Ader: naar het hart toe, met kleppen.
Volg bij een schema de pijlen met je vinger, van het hart naar de longen of het lichaam.
Bij een grafiek: kijk wat er hoog en wat er laag is voordat je antwoordt.
Deze slide heeft geen instructies