2026_week43_2v_oefentoets repetitie

Duits voorbereiding toetsweek 1

1 / 46
volgende
Slide 1: Slide
newEditorDuitsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Duits voorbereiding toetsweek 1

Deze les bundelt woordenschat en grammatica uit hoofdstuk 1 voor 3 havo. De focus ligt op toepassen: woorden herkennen, vraagwoorden gebruiken en werkwoorden correct vervoegen.

Lesdoel

  • Ik kan de woordenschat uit hoofdstuk 1 toepassen

  • Ik kan vraagwoorden naar het Duits vertalen

  • Ik ken de rijtjes van haben en sein uit mijn hoofd en kan ze vervoegen voor iedere persoon.

  • Ik kan zwakke werkwoorden vervoegen.

  • Ik ken de regels voor het het geslacht van zelfstandige naamwoorden

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

Fragewort - vraagwoord waarmee je naar informatie vraagt

haben - Duits werkwoord voor hebben

sein - Duits werkwoord voor zijn

schwaches Verb - werkwoord met regelmatige uitgangen


Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

Substantiv - zelfstandig naamwoord

Artikel - lidwoord bij een zelfstandig naamwoord

der - mannelijk lidwoord

die - vrouwelijk lidwoord, en ook lidwoord van het meervoud

das - onzijdig lidwoord



Deze slide heeft geen instructies

Woordenschat uit hoofdstuk 1

  • Kapitel 1 Lektion1 t/m 6 (NL-D en D-NL)

  • Redemittel blz 88 en 91 (niet blz 89)

  • Zahlen bis 50, blz 87


  • leer de woorden actief door ze net zo lang op te schrijven, totdat je ze foutloos kan.

  • let op lidwoord en meervoud

Noem expliciet dat de schoolvakken uit het boek buiten deze leerstof vallen. Benadruk dat woorden met lidwoord geleerd moeten worden, omdat dat helpt bij geslacht en zinsbouw.

Schrijf alle Duitse woorden die je nog lastig vindt herhaaldelijk op totdat de timer stopt. Leg iets op de Duitse woorden, zodat je goed weet bij welke woorden je toch nog steeds moet spieken.

10

minute

00

second

Gebruik de woordwolk als startinventarisatie. Let op woorden als vraagwoorden, dagen, haben, sein, Perfekt en lidwoorden.

Vraagwoorden in het Duits

Belangrijke Duitse vraagwoorden:


  • wer = wie

  • was = wat

  • wo = waar

  • wohin = waarheen

  • woher = waarvandaan

  • wann = wanneer

  • wie = hoe

  • warum = waarom

Maak het verschil tussen wo, wohin en woher duidelijk: plaats, richting naar toe en herkomst.

Vraagwoorden gebruiken

Het vraagwoord bepaalt welke informatie je vraagt.


  • Wo wohnst du? → plaats

  • Wohin gehst du? → richting

  • Woher kommst du? → herkomst

  • Wann beginnt die Schule? → tijd

  • Warum lernst du Deutsch? → reden

Leerlingen verwarren vaak wo en wohin. Leg uit dat wohin meestal beweging uitdrukt.

Dagen van de week

  • der Montag

  • der Dienstag

  • der Mittwoch

  • der Donnerstag

  • der Freitag

  • der Samstag

  • der Sonntag

Noem dat Samstag en Sonnabend allebei gebruikt worden, maar Samstag is voor schooldoelen meestal het handigst.

Dagdelen in het Duits

Veelgebruikte dagdelen:


  • der Morgen = de ochtend tot 9

  • der Vormittag = de voormiddag 9-12

  • der Mittag = de middag van 12 uur tot 13

  • der Nachmittag = de namiddag vanaf 13

  • der Abend = de avond

  • in der Nacht = de nacht

Wijs ook kort op vaste combinaties zoals am Morgen, am Nachmittag en in der Nacht.

Welk vraagwoord past bij richting naar een plaats toe?

A

wo

B

wann

C

wohin

D

woher

Controleert het verschil tussen plaats, richting en herkomst.

Vul de juiste woorden in

Op Montag begint de week. Wann begint de les? In de ochtend voor 9 zeg je am Morgen, en voor de nacht gebruik je in der Nacht. Op Samstag begint het weekend.

Montag
Wann
am Morgen
in der Nacht
Samstag
wo
wohin
am Abend
der Morgen
Dienstag
Samstag

Alle doelwoorden komen rechtstreeks uit het blok over vraagwoorden, weekdagen en dagdelen.

Haben & sein

Schrijf nu de rijtjes voor haben en sein uit je hoofd in je schrift.

5

minute

00

second

Deze slide heeft geen instructies

Haben vervoegen

haben = hebben


  • ich habe

  • du hast

  • er/sie/es hat

  • wir haben

  • ihr habt

  • sie/Sie haben

Benadruk de afwijkende vormen hast en hat. Deze moeten echt uit het hoofd gekend zijn.

Sein vervoegen

sein = zijn


  • ich bin

  • du bist

  • er/sie/es ist

  • wir sind

  • ihr seid

  • sie/Sie sind

Sein is onregelmatig en komt heel vaak voor. Laat leerlingen opmerken dat bijna alle vormen anders zijn.

Welke vorm van sein hoort bij ihr?

A

seid

B

sind

C

bist

D

ist

Veelgemaakte fout is verwarring tussen ihr seid en sie sind.

Vul de werkwoordsvormen in

Ich habe heute Deutsch. Du hast ein Buch. Er liest den Text und ihr macht die Aufgabe zusammen.

habe
hast
liest
macht
haben
hat
lesen
machtst
seid

Combineert haben, een sterke vorm van lesen en een zwak werkwoord uit het voorbeeldblok.

Der Ausflug...............viel Spaß gemacht.

A

hat

B

habe

C

haben

D

hast

Deze slide heeft geen instructies

Maria......................eine Katze.

A

haben

B

hat

C

hast

D

habt

Deze slide heeft geen instructies

Mo und Kate .................ein neues Haus gekauft.

A

haben

B

hast

C

hat

D

habe

Deze slide heeft geen instructies

Sam und Ben ....................schon lange Zeite Freunde.

A

seid

B

ist

C

sind

D

bin

Deze slide heeft geen instructies

Der Hund...........immer froh.

A

ist

B

bin

C

sind

D

seid

Deze slide heeft geen instructies

Meine Mutter....................sehr lieb für mich.

A

bin

B

sind

C

ist

D

seid

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil tussen zwakke en sterke werkwoorden?

Verwachte elementen: bij sterke werkwoorden verandert vaak de stamklinker in du en er/sie/es; andere vormen blijven meestal gelijk. Mogelijke voorbeelden: fahren–fährst, lesen–liest, sehen–siehst, sprechen–sprichst.

Zwakke werkwoorden

Zwakke werkwoorden krijgen in de tegenwoordige tijd vaste uitgangen.


  • ich -e

  • du -st

  • er/sie/es -t

  • wir -en

  • ihr -t

  • sie/Sie -en

Gebruik eventueel een bekend voorbeeld zoals machen of lernen bij het mondeling uitleggen.

Voorbeeld zwakke werkwoorden

Met machen:


  • ich mache

  • du machst

  • er/sie/es macht

  • wir machen

  • ihr macht

  • sie/Sie machen

Laat zien dat de stam gelijk blijft en alleen de uitgang verandert. Dat is het kernverschil met sterke werkwoorden.

Die Party...............uns viel Spaß.

A

mache

B

macht

C

machen

D

machst

Deze slide heeft geen instructies

Mein Opa .......................sein Auto

A

liebst

B

liebe

C

liebt

D

lieben

Deze slide heeft geen instructies

Sonny und Cher ........................zusammen.

A

singe

B

singen

C

singst

D

singt

Deze slide heeft geen instructies

Geslacht van zelfstandige naamwoorden

Duitse zelfstandige naamwoorden hebben een vast lidwoord:


  • der = mannelijk

  • die = vrouwelijk

  • das = onzijdig


Leer een zelfstandig naamwoord daarom altijd samen met het lidwoord.

Leg uit dat het grammaticaal geslacht niet altijd logisch is vanuit het Nederlands. Daarom is leren met lidwoord noodzakelijk.

Belangrijke geslachtregels



  • mannelijke personen of dieren ---->der

  • vrouwelijke personen of dieren en woorden eindigen op -e, meestal die

  • Nederlandse -het woorden→ das

  • regels helpen, maar lidwoorden samen met woorden uit het hoofd leren blijft nodig

Noem eventueel voorbeelden zoals die Zeitung, die Freiheit, das Mädchen en der Montag.

Frau

A

der

B

die

C

das

D

Answer D

Deze slide heeft geen instructies

Buch

A

der

B

die

C

das

D

Answer D

Deze slide heeft geen instructies

(een) Kind

A

eine

B

ein

C

kein

D

keine

Deze slide heeft geen instructies

(geen)Kinder

A

keine

B

ein

C

kein

D

eine

Deze slide heeft geen instructies

Kinder

A

der

B

die

C

das

D

Answer D

Deze slide heeft geen instructies

Slide titel

Slide tekst

Deze slide heeft geen instructies

Ich liebe (mijn) Mutter

A

sein

B

deine

C

meine

D

keine

Deze slide heeft geen instructies

Ist das (jouw) Freund(m)?

A

seine

B

sein

C

dein

D

deine

Deze slide heeft geen instructies

(Onze) Tante ist sehr hübsch.

A

unser

B

ihre

C

unsere

D

Ihr

Deze slide heeft geen instructies

(jullie) Hund(m) ist noch sehr jung.

A

deine

B

euer

C

eure

D

ihre

Deze slide heeft geen instructies

Was ist (uw) Hobby(o)?

A

Ihr

B

Ihre

C

ihre

D

ihr

Deze slide heeft geen instructies

(Haar) Bruder heißt Stefan und er ist humorvoll.

A

Ihr

B

sein

C

seine

D

ihr

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderdeel wil je hierna nog extra oefenen?

1

woordenschat

2

vraagwoorden

3

werkwoorden zwak

4

regels lidwoorden

Deze slide heeft geen instructies

Wat heb je vandaag het best geleerd?

Laat leerlingen kort terugblikken op hun eigen leerwinst. Mogelijke antwoorden gaan over vraagwoorden, vervoegen, lidwoorden of Perfekt.

Welk onderdeel vond je nog het lastigst?

Gebruik de antwoorden om te bepalen welk onderdeel in de volgende les herhaald moet worden.