Duits voorbereiding toetsweek 1
Duits voorbereiding toetsweek 1
Deze les bundelt woordenschat en grammatica uit hoofdstuk 1 voor 3 havo. De focus ligt op toepassen: woorden herkennen, vraagwoorden gebruiken en werkwoorden correct vervoegen.
Lesdoel
Ik kan de woordenschat uit hoofdstuk 1 toepassen
Ik kan vraagwoorden naar het Duits vertalen
Ik ken de rijtjes van haben en sein uit mijn hoofd en kan ze vervoegen voor iedere persoon.
Ik kan zwakke werkwoorden vervoegen.
Ik ken de regels voor het het geslacht van zelfstandige naamwoorden
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Fragewort - vraagwoord waarmee je naar informatie vraagt
haben - Duits werkwoord voor hebben
sein - Duits werkwoord voor zijn
schwaches Verb - werkwoord met regelmatige uitgangen
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Substantiv - zelfstandig naamwoord
Artikel - lidwoord bij een zelfstandig naamwoord
der - mannelijk lidwoord
die - vrouwelijk lidwoord, en ook lidwoord van het meervoud
das - onzijdig lidwoord
Deze slide heeft geen instructies
Woordenschat uit hoofdstuk 1
Kapitel 1 Lektion1 t/m 6 (NL-D en D-NL)
Redemittel blz 88 en 91 (niet blz 89)
Zahlen bis 50, blz 87
leer de woorden actief door ze net zo lang op te schrijven, totdat je ze foutloos kan.
let op lidwoord en meervoud
Noem expliciet dat de schoolvakken uit het boek buiten deze leerstof vallen. Benadruk dat woorden met lidwoord geleerd moeten worden, omdat dat helpt bij geslacht en zinsbouw.
Schrijf alle Duitse woorden die je nog lastig vindt herhaaldelijk op totdat de timer stopt. Leg iets op de Duitse woorden, zodat je goed weet bij welke woorden je toch nog steeds moet spieken.
minute
second
Gebruik de woordwolk als startinventarisatie. Let op woorden als vraagwoorden, dagen, haben, sein, Perfekt en lidwoorden.
Vraagwoorden in het Duits
Belangrijke Duitse vraagwoorden:
wer = wie
was = wat
wo = waar
wohin = waarheen
woher = waarvandaan
wann = wanneer
wie = hoe
warum = waarom
Maak het verschil tussen wo, wohin en woher duidelijk: plaats, richting naar toe en herkomst.
Vraagwoorden gebruiken
Het vraagwoord bepaalt welke informatie je vraagt.
Wo wohnst du? → plaats
Wohin gehst du? → richting
Woher kommst du? → herkomst
Wann beginnt die Schule? → tijd
Warum lernst du Deutsch? → reden
Leerlingen verwarren vaak wo en wohin. Leg uit dat wohin meestal beweging uitdrukt.
Dagen van de week
der Montag
der Dienstag
der Mittwoch
der Donnerstag
der Freitag
der Samstag
der Sonntag
Noem dat Samstag en Sonnabend allebei gebruikt worden, maar Samstag is voor schooldoelen meestal het handigst.
Dagdelen in het Duits
Veelgebruikte dagdelen:
der Morgen = de ochtend tot 9
der Vormittag = de voormiddag 9-12
der Mittag = de middag van 12 uur tot 13
der Nachmittag = de namiddag vanaf 13
der Abend = de avond
in der Nacht = de nacht
Wijs ook kort op vaste combinaties zoals am Morgen, am Nachmittag en in der Nacht.
Welk vraagwoord past bij richting naar een plaats toe?
wo
wann
wohin
woher
Controleert het verschil tussen plaats, richting en herkomst.
Vul de juiste woorden in
Op Montag begint de week. Wann begint de les? In de ochtend voor 9 zeg je am Morgen, en voor de nacht gebruik je in der Nacht. Op Samstag begint het weekend.
Alle doelwoorden komen rechtstreeks uit het blok over vraagwoorden, weekdagen en dagdelen.
Haben & sein
Schrijf nu de rijtjes voor haben en sein uit je hoofd in je schrift.
minute
second
Deze slide heeft geen instructies
Haben vervoegen
haben = hebben
ich habe
du hast
er/sie/es hat
wir haben
ihr habt
sie/Sie haben
Benadruk de afwijkende vormen hast en hat. Deze moeten echt uit het hoofd gekend zijn.
Sein vervoegen
sein = zijn
ich bin
du bist
er/sie/es ist
wir sind
ihr seid
sie/Sie sind
Sein is onregelmatig en komt heel vaak voor. Laat leerlingen opmerken dat bijna alle vormen anders zijn.
Welke vorm van sein hoort bij ihr?
seid
sind
bist
ist
Veelgemaakte fout is verwarring tussen ihr seid en sie sind.
Vul de werkwoordsvormen in
Ich habe heute Deutsch. Du hast ein Buch. Er liest den Text und ihr macht die Aufgabe zusammen.
Combineert haben, een sterke vorm van lesen en een zwak werkwoord uit het voorbeeldblok.
Der Ausflug...............viel Spaß gemacht.
hat
habe
haben
hast
Deze slide heeft geen instructies
Maria......................eine Katze.
haben
hat
hast
habt
Deze slide heeft geen instructies
Mo und Kate .................ein neues Haus gekauft.
haben
hast
hat
habe
Deze slide heeft geen instructies
Sam und Ben ....................schon lange Zeite Freunde.
seid
ist
sind
bin
Deze slide heeft geen instructies
Der Hund...........immer froh.
ist
bin
sind
seid
Deze slide heeft geen instructies
Meine Mutter....................sehr lieb für mich.
bin
sind
ist
seid
Deze slide heeft geen instructies
Wat is het verschil tussen zwakke en sterke werkwoorden?
Verwachte elementen: bij sterke werkwoorden verandert vaak de stamklinker in du en er/sie/es; andere vormen blijven meestal gelijk. Mogelijke voorbeelden: fahren–fährst, lesen–liest, sehen–siehst, sprechen–sprichst.
Zwakke werkwoorden
Zwakke werkwoorden krijgen in de tegenwoordige tijd vaste uitgangen.
ich -e
du -st
er/sie/es -t
wir -en
ihr -t
sie/Sie -en
Gebruik eventueel een bekend voorbeeld zoals machen of lernen bij het mondeling uitleggen.
Voorbeeld zwakke werkwoorden
Met machen:
ich mache
du machst
er/sie/es macht
wir machen
ihr macht
sie/Sie machen
Laat zien dat de stam gelijk blijft en alleen de uitgang verandert. Dat is het kernverschil met sterke werkwoorden.
Die Party...............uns viel Spaß.
mache
macht
machen
machst
Deze slide heeft geen instructies
Mein Opa .......................sein Auto
liebst
liebe
liebt
lieben
Deze slide heeft geen instructies
Sonny und Cher ........................zusammen.
singe
singen
singst
singt
Deze slide heeft geen instructies
Geslacht van zelfstandige naamwoorden
Duitse zelfstandige naamwoorden hebben een vast lidwoord:
der = mannelijk
die = vrouwelijk
das = onzijdig
Leer een zelfstandig naamwoord daarom altijd samen met het lidwoord.
Leg uit dat het grammaticaal geslacht niet altijd logisch is vanuit het Nederlands. Daarom is leren met lidwoord noodzakelijk.
Belangrijke geslachtregels
mannelijke personen of dieren ---->der
vrouwelijke personen of dieren en woorden eindigen op -e, meestal die
Nederlandse -het woorden→ das
regels helpen, maar lidwoorden samen met woorden uit het hoofd leren blijft nodig
Noem eventueel voorbeelden zoals die Zeitung, die Freiheit, das Mädchen en der Montag.
Frau
der
die
das
Answer D
Deze slide heeft geen instructies
Buch
der
die
das
Answer D
Deze slide heeft geen instructies
(een) Kind
eine
ein
kein
keine
Deze slide heeft geen instructies
(geen)Kinder
keine
ein
kein
eine
Deze slide heeft geen instructies
Kinder
der
die
das
Answer D
Deze slide heeft geen instructies
Slide titel
Slide tekst
Deze slide heeft geen instructies
Ich liebe (mijn) Mutter
sein
deine
meine
keine
Deze slide heeft geen instructies
Ist das (jouw) Freund(m)?
seine
sein
dein
deine
Deze slide heeft geen instructies
(Onze) Tante ist sehr hübsch.
unser
ihre
unsere
Ihr
Deze slide heeft geen instructies
(jullie) Hund(m) ist noch sehr jung.
deine
euer
eure
ihre
Deze slide heeft geen instructies
Was ist (uw) Hobby(o)?
Ihr
Ihre
ihre
ihr
Deze slide heeft geen instructies
(Haar) Bruder heißt Stefan und er ist humorvoll.
Ihr
sein
seine
ihr
Deze slide heeft geen instructies
Welk onderdeel wil je hierna nog extra oefenen?
woordenschat
vraagwoorden
werkwoorden zwak
regels lidwoorden
Deze slide heeft geen instructies
Wat heb je vandaag het best geleerd?
Laat leerlingen kort terugblikken op hun eigen leerwinst. Mogelijke antwoorden gaan over vraagwoorden, vervoegen, lidwoorden of Perfekt.
Welk onderdeel vond je nog het lastigst?
Gebruik de antwoorden om te bepalen welk onderdeel in de volgende les herhaald moet worden.