KNM 6.1 - 6.2

Vandaag: KNM 6.1 en 6.2
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
Alfabetisering NT2ISK

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Vandaag: KNM 6.1 en 6.2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk vorige les
  • Boek t/m ... (Maartje/Naomi vul aan naar eigen inzicht)
  • ELO t/m ...

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.1 De gemeente

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Na deze les
6.1 De gemeente
…weet je welke wijzigingen je moet doorgeven aan de gemeente.
...weet je welke documenten je bij de gemeente kunt aanvragen.
…weet je welke belastingen je aan de gemeente betaalt.
... ken je de regels rondom naturalisatie.

6.2 De politie
...weet je wat de taken van de politie zijn.
...weet je dat je aangifte moet doen bij een ernstig misdrijf.
...weet je dat je ook hulp kunt vragen aan de politie.


Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je neemt een hond
Moet je dat doorgeven aan de gemeente?
A
Ja
B
Nee
C
Soms

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De gemeente

Slide 6 - Woordweb

Waar denken de cursisten aan bij: de gemeente?
Je koopt een auto.
Moet je dat doorgeven bij de gemeente?
A
Ja
B
Nee
C
Soms

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je kind gaat naar de basisschool
Moet je dat doorgeven bij de gemeente?
A
Ja
B
Nee
C
Soms

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je gaat trouwen.
Moet je dat doorgeven aan de gemeente?
A
Ja
B
Nee
C
Soms

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je wilt een rijbewijs aanvragen.
Moet je daarvoor naar de gemeente?
A
Ja
B
Nee
C
Soms

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik kom uit een land buiten de Europese Unie. Ik wil precies 78 dagen in Nederland zijn. Heb ik nu een verblijfsvergunning nodig?
A
Nee, dat heb je pas nodig als je langer dan 100 dagen in Nederland bent.
B
Nee, dat heb je in Nederland niet nodig
C
Ja, dat heb je al nodig als je langer dan 60 dagen in Nederland bent.
D
Nee, dat is pas nodig als je langer dan 90 dagen in Nederland wil zijn.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Met mijn burgerservicenummer kan ik een afspraak maken voor iemand uit mijn familie.
A
Ja, dat kan als jouw familie ook in Nederland woont.
B
Nee, mijn burgerservicenummer is persoonlijk, alleen voor mij.
C
Ja, soms.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort bij gemeentelijke belastingen en heffingen?
A
afvalstoffenheffing
B
een kaartje voor de bioscoop
C
kosten voor een paspoort
D
een kaartje voor het zwembad van de gemeente

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een rijbewijs is altijd een geldig legitimatiebewijs.
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn daar de taken van de gemeente?

Slide 15 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Je krijgt een kind.
Moet je naar de gemeente?
A
Ja
B
Nee
C
Soms

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Taken van de gemeente
p. 108: Lees de tekst
p.109: Beantwoord de vragen.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De nieuwe woorden van 6.1 (met voorbeeldzin)
voldoen aan          of jij hebt of kunt wat nodig is                          

Om in te burgeren moet je voldoen aan de taaleis B1


afstand doen van                        jij besluit (vrijwillig) dat je iets niet meer wil.

Als ik Nederlander wil worden, moet ik afstand doen van mijn Jeminitische nationaliteit.



Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.1 Ben je 14 jaar of ouder? Dan moet je jezelf altijd kunnen legitimeren = jouw identiteit bewijzen. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.2 De hulpdiensten

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke hulpdiensten zijn er in jouw vaderland?

Slide 21 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Hoe kun je daar de hulpdiensten bereiken?

Slide 22 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn daar de taken van de politie?
Wat moet de politie doen?

Slide 23 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taken van de politie
p. 111: Lees de tekst
p.112: Beantwoord de vragen.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beschermen: de politie helpt mensen bij verschillende situaties.
Toezicht houden: de agenten zorgen ervoor dat er geen misdrijven gebeuren.
Handhaven: de politie mag controleren en boetes geven als je je niet aan de regels (de wet) houdt.

Slide 26 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

De wijkagent

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

EXTRA informatie: BOA's

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Contact met de politie

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De woorden van 6.2 (met voorbeeldzin)
het misdrijf                              iets wat verboden is en waarvoor je een straf kunt                                                      krijgen
In Amsterdam heeft iemand een oude vrouw doodgeslagen. Dat is een misdrijf.

de oplichting                een situatie waarin iemand liegt en zo geld of spullen 

De man kocht een paar schoenen via Marktplaats, maar de schoenen heeft hij nooit ontvangen. Dit is een voorbeeld van een oplichting via internet. 

de diefstal                    een officiële kaart met persoonlijke gegevens,
                                                        zoals je ID-kaart, paspoort of rijbewijs.
De politie vraagt om mijn identiteitsbewijs. Ik laat mijn rijbewijs zien.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De woorden van 6.2 (met voorbeeldzin)

de instantie                                        een afdeling of een bedrijf van de overheid

In Nederland zijn veel instanties waar je hulp kunt krijgen. Bijvoorbeeld het UWV en het Juridisch Loket.


Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De woorden van 6.2 (met voorbeeldzin)
het slachtoffer                                 iemand die gedood of gewond is,                                                                     bijvoorbeeld door geweld of door een ongeluk
De slachtoffers van het ongeluk moesten naar het ziekenhuis.


de agent, de agenten                        iemand die bij de politie werkt

De politie kwam bij het ongeluk aan. De agent hielp het slachtoffer.

de boete, de boetes                                 het geld dat je moet betalen
                                                                      als je iets doet wat niet mag
Ik reed te hard met mijn auto. Nu moet ik een boete betalen van 140 euro.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet de politie?
Noem 4 taken.

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Aangifte doen is...
A
vertellen tegen de politie dat iemand iets heeft gestolen van je of geweld heeft gebruikt tegen je.
B
een boete betalen.
C
Antwoord A en B zijn goed
D
Antwoord A en B zijn fout.

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer bel je 112?

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een wijkagent is de agent die bij jouw wijk (buurt) hoort.
A
waar
B
niet waar

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer bel je 0900-8844?

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
  • Boek t/m 6.2
  • ELO t/m 6.2
  • Presentatie 
  • Presentatie 

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aangifte doen

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.2 De politie
Tekst lezen

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies