Lidwoorden

LIDWOORDEN


1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorNT2Secundair onderwijs

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

LIDWOORDEN


Verwachte antwoorden van de leerlingen:
Een kat 
Een kind 
Een kast 
Een hond 

Leerkracht:
Jullie gebruiken allemaal het woord 'een' voor het zelfstandig naamwoord. 
'Een' is een lidwoord. 
--> Als er iemand 'de' of 'het' voor het zelfstandig naamwoord zet, speelt de leerkracht hier op in en stelt bijvragen zoals: 
- Horen 'een' en 'de' en/of 'het' tot dezelfde categorie? 
- Zo ja. Weet je onder welke categorie? 
- ... 

Lidwoorden

Welke lidwoorden ken je nog?  
Wat weten jullie nog over lidwoorden? 

Lidwoorden 

Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord. 

Alle zelfstandige naamwoorden hebben een lidwoord.


Een zelfstandig naamwoord is 
een dier, een ding of een mens.


Er zijn drie lidwoorden: de, het, een





Deze slide heeft geen instructies

Lidwoorden 

Of het 'de' of 'het' moet zijn, moet je leren.


Als je niet zeker bent, kan je ook in het woordenboek kijken. 

Deze slide heeft geen instructies

De-woorden 

1. Woorden voor personen, bergen of rivieren

     de moeder, de kok, de opa, de Rijn, de Kilimanjaro…

2. Woorden die in het meervoud staan

     de huizen, de bomen, de kinderen…

3. Woorden voor vruchten of bomen

     de appel, de peer, de eik, de kastanje…

4. Letters en cijfers

     de negende, de vijf, de a, de b... 

Deze slide heeft geen instructies

Het-woorden

1. Alle verkleinwoorden 

     het boompje, het hutje, het meisje, het kettinkje...

2. Woorden die eindigen op -isme, -ment, -sel en -um

     het toerisme, het amusement, het zonnestelsel, het centrum…

3. Woorden (twee of meer lettergrepen) die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-
     het begin, het gebruik, het verhaal, het ontbijt...
4. Namen van talen, metalen en windrichtingen

   het Nederlands, het Duits, het goud, het ijzer, het oosten, het zuidwesten...

Deze slide heeft geen instructies

Hoe leren? 

Als je een woord leert, leer dan 'de' of 'het' erbij:

de auto

het huis

de bloem

het gras

de keuken

het bed

Deze slide heeft geen instructies

Een-woorden

'Een' is een onbepaald lidwoord


Je kan 'een' gebruiken voor alle zelfstandige naamwoorden.


 Je gebruikt 'een' als je iets in het algemeen wilt zeggen.



Deze slide heeft geen instructies

Een-woorden 

Voorbeelden:

De stoel is zwart. (De stoel waar ik naar kijk of wijs is zwart.)

Kies een zwarte stoel. (Er zijn meerdere zwarte stoelen, maar je mag er maar één kiezen.)

Ik zie een bruine vogel. (De nadruk ligt op wat je ziet.)

Ik zie de bruine vogel. (De nadruk is op de vogel. Iemand anders praat over de bruine vogel. Jij zegt dat jij die bruine vogel ziet.


Wie kan een ander voorbeeld geven? 

de 

het

Deze slide heeft geen instructies

Zinnen maken 

In het Nederlands gebruiken we veel lidwoorden.

Je gebruikt altijd een lidwoord als je over een woord in het enkelvoud praat. 

Je mag ook een ander woord gebruiken (mijn, jouw, zijn, haar, veel, weinig, genoeg...).

Ik zie een witte kat. De kat ligt te slapen. Het is mijn kat.


Deze slide heeft geen instructies

Zinnen maken 

Als je over een woord praat dat in het meervoud staat, dan gebruik je geen 'een'. Ook niet als je in het algemeen praat.


Voorbeelden: 


Er vliegen vogels in de lucht.

In het park staan banken.

Ik zie witte katten. De katten liggen te slapen. Het zijn mijn katten.

Deze slide heeft geen instructies

Zinnen maken 

Praat je over een woord dat je niet kunt tellen, dan gebruik je ook geen 'een'.


Voorbeelden:


Ik wil graag water drinken.

Ik doe nieuw zand in de tuin.

Ik heb zwarte koffie. In de koffie is geen melk en geen suiker. Ik drink mijn koffie graag zwart.

Deze slide heeft geen instructies

bloem

A

de

B

het

C


D


Deze slide heeft geen instructies

verjaardag

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

broer

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

zus

A

de

B

het

C


D


Deze slide heeft geen instructies

huis

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

vakantie

A

de

B

het

C


D


Deze slide heeft geen instructies

land

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

wereld

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

winterseizoen

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

verveling

A

de

B

het

C


D


Deze slide heeft geen instructies

Ambulance

A

de

B

het

C


D


Deze slide heeft geen instructies

acteur

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

ongeluk

A

het

B

de

C


D


Deze slide heeft geen instructies

Welke zin is juist?

A

Huis staat in straat.

B

Het huis staat in straat.

C

Het huis staat in de straat.

D

Huis staat in de straat.

Deze slide heeft geen instructies

Welke zin is juist?

A

Op de tafel staat bord.

B

Op tafel staat het bord.

C

Op tafel staat bord.

D

Op de tafel staat het bord.

Deze slide heeft geen instructies

Welke zin is juist?

A

In het kamer staat de bed.

B

In de kamer staat de bed.

C

In de kamer staat het bed.

D

In het kamer staat het bed.

Deze slide heeft geen instructies

Welke zin is juist?

A

In de tuin zijn de katten.

B

In het tuin zijn het katten.

C

In de tuin zijn katten.

D

In het tuin zijn katten.

Deze slide heeft geen instructies

Maak een zin met: de bloem, het gras (je mag ook meervoud gebruiken)

Deze slide heeft geen instructies

Samenvatting

Leer woorden samen met het lidwoord.

Gebruik 'een' alleen met telbare enkelvoudige woorden.

Gebruik 'de' of 'het' als je over iets specifieks praat.

Gebruik 'een' of niks als je over iets algemeens praat.


Deze slide heeft geen instructies