LIDWOORDEN
LIDWOORDEN
Verwachte antwoorden van de leerlingen:
Een kat
Een kind
Een kast
Een hond
Leerkracht:
Jullie gebruiken allemaal het woord 'een' voor het zelfstandig naamwoord.
'Een' is een lidwoord.
--> Als er iemand 'de' of 'het' voor het zelfstandig naamwoord zet, speelt de leerkracht hier op in en stelt bijvragen zoals:
- Horen 'een' en 'de' en/of 'het' tot dezelfde categorie?
- Zo ja. Weet je onder welke categorie?
- ...
Lidwoorden
Welke lidwoorden ken je nog?
Wat weten jullie nog over lidwoorden?
Lidwoorden
Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.
Alle zelfstandige naamwoorden hebben een lidwoord.
Een zelfstandig naamwoord is
een dier, een ding of een mens.
Er zijn drie lidwoorden: de, het, een
Deze slide heeft geen instructies
Lidwoorden
Of het 'de' of 'het' moet zijn, moet je leren.
Als je niet zeker bent, kan je ook in het woordenboek kijken.
Deze slide heeft geen instructies
De-woorden
1. Woorden voor personen, bergen of rivieren
de moeder, de kok, de opa, de Rijn, de Kilimanjaro…
2. Woorden die in het meervoud staan
de huizen, de bomen, de kinderen…
3. Woorden voor vruchten of bomen
de appel, de peer, de eik, de kastanje…
4. Letters en cijfers
de negende, de vijf, de a, de b...
Deze slide heeft geen instructies
Het-woorden
1. Alle verkleinwoorden
het boompje, het hutje, het meisje, het kettinkje...
2. Woorden die eindigen op -isme, -ment, -sel en -um
het toerisme, het amusement, het zonnestelsel, het centrum…
3. Woorden (twee of meer lettergrepen) die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-
het begin, het gebruik, het verhaal, het ontbijt...
4. Namen van talen, metalen en windrichtingen
het Nederlands, het Duits, het goud, het ijzer, het oosten, het zuidwesten...
Deze slide heeft geen instructies
Hoe leren?
Als je een woord leert, leer dan 'de' of 'het' erbij:
de auto
het huis
de bloem
het gras
de keuken
het bed
Deze slide heeft geen instructies
Een-woorden
'Een' is een onbepaald lidwoord.
Je kan 'een' gebruiken voor alle zelfstandige naamwoorden.
Je gebruikt 'een' als je iets in het algemeen wilt zeggen.
Deze slide heeft geen instructies
Een-woorden
Voorbeelden:
De stoel is zwart. (De stoel waar ik naar kijk of wijs is zwart.)
Kies een zwarte stoel. (Er zijn meerdere zwarte stoelen, maar je mag er maar één kiezen.)
Ik zie een bruine vogel. (De nadruk ligt op wat je ziet.)
Ik zie de bruine vogel. (De nadruk is op de vogel. Iemand anders praat over de bruine vogel. Jij zegt dat jij die bruine vogel ziet.
Wie kan een ander voorbeeld geven?
de
het
Deze slide heeft geen instructies
Zinnen maken
In het Nederlands gebruiken we veel lidwoorden.
Je gebruikt altijd een lidwoord als je over een woord in het enkelvoud praat.
Je mag ook een ander woord gebruiken (mijn, jouw, zijn, haar, veel, weinig, genoeg...).
Ik zie een witte kat. De kat ligt te slapen. Het is mijn kat.
Deze slide heeft geen instructies
Zinnen maken
Als je over een woord praat dat in het meervoud staat, dan gebruik je geen 'een'. Ook niet als je in het algemeen praat.
Voorbeelden:
Er vliegen vogels in de lucht.
In het park staan banken.
Ik zie witte katten. De katten liggen te slapen. Het zijn mijn katten.
Deze slide heeft geen instructies
Zinnen maken
Praat je over een woord dat je niet kunt tellen, dan gebruik je ook geen 'een'.
Voorbeelden:
Ik wil graag water drinken.
Ik doe nieuw zand in de tuin.
Ik heb zwarte koffie. In de koffie is geen melk en geen suiker. Ik drink mijn koffie graag zwart.
Deze slide heeft geen instructies
bloem
de
het
Deze slide heeft geen instructies
verjaardag
het
de
Deze slide heeft geen instructies
broer
het
de
Deze slide heeft geen instructies
zus
de
het
Deze slide heeft geen instructies
huis
het
de
Deze slide heeft geen instructies
vakantie
de
het
Deze slide heeft geen instructies
land
het
de
Deze slide heeft geen instructies
wereld
het
de
Deze slide heeft geen instructies
winterseizoen
het
de
Deze slide heeft geen instructies
verveling
de
het
Deze slide heeft geen instructies
Ambulance
de
het
Deze slide heeft geen instructies
acteur
het
de
Deze slide heeft geen instructies
ongeluk
het
de
Deze slide heeft geen instructies
Welke zin is juist?
Huis staat in straat.
Het huis staat in straat.
Het huis staat in de straat.
Huis staat in de straat.
Deze slide heeft geen instructies
Welke zin is juist?
Op de tafel staat bord.
Op tafel staat het bord.
Op tafel staat bord.
Op de tafel staat het bord.
Deze slide heeft geen instructies
Welke zin is juist?
In het kamer staat de bed.
In de kamer staat de bed.
In de kamer staat het bed.
In het kamer staat het bed.
Deze slide heeft geen instructies
Welke zin is juist?
In de tuin zijn de katten.
In het tuin zijn het katten.
In de tuin zijn katten.
In het tuin zijn katten.
Deze slide heeft geen instructies
Maak een zin met: de bloem, het gras (je mag ook meervoud gebruiken)
Deze slide heeft geen instructies
Samenvatting
Leer woorden samen met het lidwoord.
Gebruik 'een' alleen met telbare enkelvoudige woorden.
Gebruik 'de' of 'het' als je over iets specifieks praat.
Gebruik 'een' of niks als je over iets algemeens praat.
Deze slide heeft geen instructies