11.3 stofwisseling PLant

11.3 Stofwisseling Plant


1 / 24
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieWOStudiejaar 5

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

11.3 Stofwisseling Plant


Vandaag

  • Waarom een plant vaak groene bladeren heeft en waarom ze verkleuren in de herfst.


  • Gaswisseling.


  • Assimilatie (fotosynthese) vs dissimilatie (verbranding).



Recap

We hebben gezien:


  • Hoe vaatplanten groeien.


  • Hoe ze belangrijke stoffen transporteren .



  • Planten groeien in de lengte en in de breedte.


  • In de lengte in:

    • Toppen van stengels en wortels.

    • Okselknoppen


  • Hier zitten delende cellen (Meristeem).

  • Nieuw gevormde cellen nemen water op (celstrekking) en specialiseren zich daarna.

Lengtegroei

Breedtegroei


  • Bij elke deling blijft één cel cambiumcel; de andere differentieert tot hout- of bastcel.


  • Er worden meer houtcellen gemaakt (in binnenkant gevormd) dan bastcellen (in buitenkant gevormd).

  • Anorganische sapstroom van water en mineralen door houtvaten (xyleem) mogelijk door:

    • Worteldruk

    • Capillaire werking.

    • Regulering van het waterpotentiaal door verdamping.

Transport

  • Organische sapstroom door bastvaten (floeem):

    • Sacharose (gemaakt uit glucose) opgelost in water vanuit bladeren naar andere delen van de plant.


Hoe gebruikt een plant licht?

  • Licht bestaat uit het elektromagnetische spectrum van verschillende golflengtes.


  • Teveel licht (energie) absorberen kan voor schade zorgen in bladeren.


  • Evolutionair is ontstaan dat voornamelijk blauw en rood licht worden gebruikt voor fotosynthese. (Binas tabel 72).




Het gebruiken van licht

Het gebruiken van licht


  • De reden dat de meeste bladeren groen zijn!


  • Chlorofyl absorbeert vooral blauw en rood licht waardoor groen licht overblijft. Groen licht wordt gereflecteerd en geeft de groene kleur.



Waarom zien bladeren van loofbomen er in de herfst vaak zo uit?

  • In de herfst wordt het chlorofyl afgebroken om onder andere stikstof, fosfor en magnesium op te slaan in andere delen van de plant.


  • De pigmenten die overblijven zijn oranje en geel!

Waarom is het nodig voor loofbomen om hun bladeren te verliezen?

  • Voorkomen van waterverlies door transpiratie.

  • Bladeren zijn door de waterinhoud kwetsbaar voor vorst.

  • Weinig licht dus fotosynthese werkt slechter en energie van licht kan daardoor schade aanbrengen aan chloroplasten.

Naaldbomen hebben dit probleem niet

  • Minder waterverlies omdat huidmondjes dieper liggen -> minder verdamping.


  • Fotosynthese is langzamer.


  • Bescherming tegen vorst en schade door de energie van zonlicht.

Herhaling

  • Assimilatie & Dissimilatie

Koolstofassimilatie (Fotosynthese)

  • Alleen overdag


  • Afhankelijk van:

    • Hoeveelheid licht.

    • Hoeveelheid beschikbare CO2 & water.

    • Hoeveelheid chlorofyl.

    • Temperatuur (kan enzymen beïnvloeden).


  • Intensiteit fotosynthese (snelheid glucose productie) wordt bepaald door de factor die het minst gunstig is en dus het proces beperkt -> Beperkende factor.

Dissimilatie (verbranding)

  • Gebeurt dag en nacht!


  • Afhankelijk van:

    • Hoeveelheid beschikbare zuurstof.

    • Hoeveelheid beschikbare glucose.

    • Temperatuur.



  • Huidmondjes geven waterdamp af aan de lucht en doen aan gaswisseling.


  • Gaswisseling vindt plaats door diffusie dus CO2 en O2 bewegen op basis van concentratieverschil tussen plant en buitenlucht.


  • Overdag vindt veel fotosynthese plaats, hierdoor is O2 productie (assimilatie) > O2 verbruik (dissimilatie)

-> netto afgifte O2 en opname CO2

Gaswisseling

Gaswisseling

  • 'S nachts zijn huidmondjes gesloten maar er kan nog steeds gaswisseling plaatsvinden (Huidmondjes kunnen niet compleet sluiten)!


  • 'S nachts is geen fotosynthese maar wel dissimilatie

-> O2 verbruik (dissimilatie) > O2 productie (assimilatie).


  • Netto meer CO2 afgifte en O2 opname.

Hoe kunnen wij de intensiteit van fotosynthese meten?

  • We kunnen niet zomaar meten hoeveel glucose gevormd is.


  • Dissimilatie en koolstofassimilatie zijn gekoppelde processen omdat de producten van een proces worden gebruikt voor het ander.


  • Dus hoe kunnen we dit meten?





Hoe kunnen wij de intensiteit van fotosynthese meten?

  • Overdag gebeuren beide processen en 's nachts alleen dissimilatie dus we kunnen kijken naar het netto verschil tussen dag en nacht.


  • CO2 en O2 zijn gassen die goed meetbaar zijn!


  • We kunnen kijken naar het verschil in CO2 of O2!

  • Opname O2 (in het donker) vergelijken met afgifte (in het licht)!


  • Als er meer afgifte is dan opname, is er meer productie van O2 en dan is intensiteit fotosynthese> intensiteit dissimilatie .

Hoe kunnen wij de intensiteit van fotosynthese meten?

  • Hoe sterker de verlichtingssterkte, hoe groter het verschil tussen afgifte en opname!

Hoe kunnen wij de intensiteit van fotosynthese meten?

  • Compensatiepunt = intensiteit fotosynthese is gelijk aan intensiteit verbranding.


  • Vraag: Hoe zou de grafiek eruit zien als je CO2 in plaats van O2 gebruikt?

  • Hoe planten licht absorberen.


  • Waar assimilatie en dissimilatie van afhankelijk zijn.


  • Hoe je de intensiteit van fotosynthese kan bepalen met behulp van CO2 of O2.

Om te onthouden

  • Opdrachten van 11.3 maken


  • Herhalen voorgaande thema's


  • Vragen van huiswerk afgelopen weken checken met antwoordboeken!


Oefenen en herhalen