Val van het Romeinse Rijk

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Waarom was het Romeinse Rijk
zo groot geworden?

Slide 2 - Woordweb

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Problemen in het 
Romeinse Rijk

- Invallen 
- Slechte grensbewaking.
- Verzwakt leger. 
- Geldproblemen 
- De keizers hadden geen oplossing 

Slide 5 - Tekstslide

Diocletianus
395 aan de macht. 
Hij splitste het Romeinse Rijk in 
Oost en West.
Hij wees voor beide rijken een keizer 
en een onder keizer aan. 

Slide 6 - Tekstslide

Westen
In het West-Romeinse Rijk, met de hoofdstad Rome (later: Milaan en Ravenna), spraken de meeste mensen Latijn.
Oosten
In het Oost-Romeinse Rijk, met de hoofdstad Constantinopel, spraken de meeste mensen Grieks.

Slide 7 - Tekstslide

Welke problemen waren er in het Romeinse Rijk?
A
Geen goed vermaak, geen goede leger leiding.
B
Oorlogen, invallen, zwak leger en geen goede keizers.
C
Geen goede koningen, invallen, meerdere volkeren.
D
Mislukte oogsten, ziektes, sterk leger, invallen.

Slide 8 - Quizvraag

Wat waren de verschillen tussen het Oost- en West-Romeinse Rijk?

Slide 9 - Open vraag

Volksverhuizingen 

In de 4e eeuw gaan verschillende 
volkeren verhuizen en 
willen ze zich in het 
west Romeinse Rijk vestigen.
Onder deze volken vallen o.a. de: 
- Germanen (Franken, Saxen, Vandalen)
- Hunnen 
 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Redenen 
volksverhuizingen

Meer landbouwgrond, klimaat, rijkdom.
Rome wordt overvallen door de volkeren.
476 wordt de laatste Romeinse Keizer 
afgezet door de Germaanse koning.
Het West-Romeinse rijk is nu gevallen. 
Het Oost-Romeinse Rijk blijft bestaan.

Slide 12 - Tekstslide

Welke stammen leefden buiten het Romeinse Rijk?

Slide 13 - Open vraag

Waarom verhuisden de volkeren?
A
ontdekken, voedsel, uitbreiden
B
nieuwe plek, groter huis, meer grond
C
meer grond, klimaat, rijkdom
D
oorlog voeren, klimaat, voedsel

Slide 14 - Quizvraag