Les 3 - H9.3 + H9.4 + H13.1 _ Duurzaamheid

H13 - Duurzaamheid
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

H13 - Duurzaamheid

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • Afronden H9 - §9.3 + §9.4 korte uitleg

  • Start H13

  • Uitleg §13.1

  • Aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoel
  • Aan het einde van de les kun je uitleggen hoe fossiele brandstoffen worden verwerkt, het versterkte broeikaseffect en de voordelen van biobrandstoffen.
  • Kun je aan de hand van de atoomeconomie, rendement en E-factor uitleggen welk proces er duurzamer is

Slide 3 - Tekstslide

Fossiele brandstoffen

Slide 4 - Woordweb

§9.3 Fossiele Brandstoffen
  • Fossiele brandstoffen zijn ontstaan uit resten van planten en dieren
  • Miljoenen jaren geleden  

  • => Aardolie, Steenkool en Aardgas.

Slide 5 - Tekstslide

§9.3 Verwerking van aardolie
  • Aardolie wordt verwerkt door destillatie, 
  • Fracties worden gescheiden op basis van hun kookpunten.

  • Gefractioneerde destillatie
  • => Fracties zijn mengsels van koolwaterstoffen

Slide 6 - Tekstslide

§9.3 Verwerking van aardolie
  • Grote fracties omzetten in kleine fracties 
  • => verkrijgen door te kraken

  • Lange keten -> alkaan + alkeen

Slide 7 - Tekstslide

§9.3 Verwerking van aardgas en steenkool

Slide 8 - Tekstslide

§9.3 Versterkt Broeikaseffect
  • Gebruik van fossiele brandstoffen leidt tot uitstoot van CO2 
  • => CO2 leidt tot versterking van het broeikaseffect 

  • Het versterkte broeikaseffect leidt tot opwarming van de aarde

  • De gevolgen zijn onder andere klimaatverandering, smeltende ijskappen en extremere weersomstandigheden.

Slide 9 - Tekstslide

§9.4 Biobrandstoffen
  • Biobrandstoffen zijn duurzame alternatieven voor fossiele brandstoffen en verminderen de uitstoot van broeikasgassen.

  • Voorbeelden van biobrandstoffen zijn: bioethanol, biodiesel en biogas
  • Deze worden geproduceerd uit organisch materiaal zoals maïs, suikerriet en plantaardige oliën.

Slide 10 - Tekstslide

§9.4 Biobrandstoffen
Koolstofkringloop

Slide 11 - Tekstslide

§13.1 Groene productie

Slide 12 - Tekstslide

§13.1 Duurzaamheid
3 P-principe:
  • People: welzijn voor de mens
  • Planet: minder belastend voor het milieu
  • Profit: meer (duurzame) winst maken

Slide 13 - Tekstslide

§13.1 Duurzaamheid
  • Recycling: De grondstoffen gebruiken voor een ander product
  • => Kwaliteitsvermindering / Deel wordt opnieuw gebruikt
  • Hergebruiken: Hetzelfde product schoonmaken en opnieuw gebruiken

  • Cradle to cradle: Product zonder afval omzetten in ander product
  • => Alle grondstoffen worden opnieuw gebruikt


Slide 14 - Tekstslide

§13.1 Cradle-to-cradle
  • Wieg tot wieg

Slide 15 - Tekstslide

§13.1 Groene chemie
  • De 3 P’s en C2C vallen onder nieuwe ontwikkeling binnen chemie: ‘Groene Chemie’
  • Sinds 20-25 jaar is men zich hier bewuster mee bezig gaan houden
  • 12 regels ‘Groene Chemie’ (T97A)

Slide 16 - Tekstslide

§13.1 Atoomeconomie
  • Het maken van een product gaat via reactiestappen. 
  • Je wilt hierbij zo min mogelijk afval hebben. 
  • Dit kun je berekenen met de atoomeconomie:




  • Hoe hoger de atoomeconomie, hoe beter!

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

§13.1 Rendement
  • Alléén naar atoomeconomie kijken is niet voldoende:
  • Opbrengst van chemische processen verlopen nooit 100%
  • Vandaar ook naar rendement kijken:



  • Hoe hoger het rendement, des te efficiënter een reactie verloopt.

Slide 20 - Tekstslide

§13.1 E-factor
  • Hoe duurzaam is het proces eigenlijk?
  • => Kijken naar E-factor

  • E = Environmental = het aantal kg afval dat ontstaat per kg product
  • Kleinere E-factor is beter!!


Slide 21 - Tekstslide

  • Eerst atoomeconomie berekenen en dan de E-factor!

Slide 22 - Tekstslide

Reactie 1
atoomeconomie = mzink / (mzinkoxide + mmethaan) x 100
  •                            = (4x 65,38) / [(4x 81,38) + 16,042] x 100
  •                            = 76,48% 

E-factor = (mbeginstoffen - mwerkelijke opbrengst ) / mwerkelijke opbrengst
  • mbeginstoffen = 4x 81,38 + 16,042 = 341,562 u
  • mwerkelijke opbrengst: er kan 4x 65,38 = 261,5 u aan zink ontstaan theoretisch
  • Rendement is 70% dus er de werkelijke opbrengst is: 0,7 x 261,5 = 183 u

  • E-factor = (341,562 - 183) / 183 = 0,866

Slide 23 - Tekstslide

Reactie 2
atoomeconomie = mzink / (mzinkoxide + mkoolstofmono-oxide) x 100
  •                            = 65,38 / (81,38 + 28,01) x 100
  •                            = 59,77% 

E-factor = (mbeginstoffen - mwerkelijke opbrengst ) / mwerkelijke opbrengst
  • mbeginstoffen = 81,38 + 28,01 = 109,39 u
  • mwerkelijke opbrengst: er kan 65,38 u aan zink ontstaan theoretisch. 
  • Rendement is 92,2% dus er de werkelijke opbrengst is: 0,922 x 65,38 = 60,3 u

  • E-factor = (109,39 - 60,3) / 60,3 = 0,815

Slide 24 - Tekstslide





Welke reactie is het meest groen?
Reactie 1
atoomeconomie = 76,48%
E-factor = 0,866

Reactie 2
atoomeconomie = 59,77%
E-factor = 0,815

  • E-factor houdt rekening met het hele proces (ook het rendement)
  • Reactie 2 is meest groen doordat de E-factor lager is

Slide 25 - Tekstslide

Aan de slag 

  • Doorlezen §13.1
  • Maken:
    * §13.1 => opdr. 2, 4, 6, 8, 12, 13 



  • Fluisterend overleggen met buur of werken met muziek

  • Vraag? Steek je hand op
  • Af? => Geen huiswerk

Slide 26 - Tekstslide