Verwijswoorden: regels, voorbeelden en oefeningen

Verwijswoorden begrijpen en gebruiken

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorNederlandsLager onderwijsSecundair onderwijsAlgemeen secundair onderwijs,Beroepssecundair onderwijs,Technisch secundair onderwijsLO Leerjaar 1-6SO Leerjaar 1-6

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Verwijswoorden begrijpen en gebruiken

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan verwijswoorden herkennen, correct gebruiken en uitleggen waarnaar ze verwijzen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden ken je al?

Gebruik deze woordwolk om voorkennis te activeren. Vraag nadien kort welke woorden naar personen, bezit of dingen verwijzen.

Introductie

Deze interactieve les Nederlands behandelt wat zijn verwijswoorden met heldere regels, voorbeeldzinnen en afwisselende oefeningen. Leerlingen leren het onderwerp herkennen, correct gebruiken en hun keuzes toelichten. Geschikt voor taalonderwijs in het Vlaamse lager en secundair onderwijs.

Deze tekst is letterlijk overgenomen zoals gevraagd. Gebruik deze slide als korte start van de les voordat de inhoudelijke uitleg begint.

Wat is een verwijswoord?

Een verwijswoord verwijst naar een woord of woordgroep die al genoemd is.


  • Zo vermijd je herhaling

  • De zin leest vlotter

  • De lezer weet over wie of wat het gaat

Benadruk dat een verwijswoord pas duidelijk is als ook het verwijswoordelijke antecedent duidelijk is.

Waarom gebruiken we verwijswoorden?

Zonder verwijswoorden worden zinnen snel stroef en herhalend.


Met herhaling:

Sana nam de fiets van Sana omdat de fiets van Sana lek was.


Met verwijswoorden:

Sana nam haar fiets omdat die lek was.


Verwijswoorden maken taal dus korter, duidelijker en natuurlijker.

Wijs erop dat 'haar' en 'die' elk naar een ander deel van de zin kunnen verwijzen. Bespreek kort waarom de tweede versie vlotter leest.

Waarnaar verwijst een verwijswoord?

Het woord waarnaar verwezen wordt, heet het antecedent, maar dat moeten jullie gelukkig nog niet kennen.

  • Milan leest een boek. Hij leest aandachtig.

  • De leerlingen maken oefeningen. Zij werken stil.

  • Het verslag is klaar. Het ligt op de bank.

Gebruik consequent de term 'antecedent'. Dat is een kernbegrip voor de rest van de les.

Soorten verwijswoorden

Veelgebruikte verwijswoorden zijn:


  • persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij, hij, zij, wij

  • bezittelijke voornaamwoorden: mijn, jouw, zijn, haar, ons

  • aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, dit, dat

  • betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wie, waar


In deze les ligt de nadruk op herkennen, correct gebruiken en juist laten verwijzen.

Hou het functioneel: de les draait niet om volledige woordsoortbenaming, maar om betekenis en correct gebruik in zinnen.

Naar welk woord/woordgroep wordt er verwezen?


Milan leest. Hij glimlacht.

A

Hij

B

leest

C

Milan

D

glimlacht

Controleer of leerlingen het verschil zien tussen het verwijswoord en het woord waarnaar verwezen wordt.

Vul de juiste woorden in

Een verwijswoord verwijst naar een eerder genoemd woord of woordgroep.

Zo vermijd je herhaling en leest een zin vlotter.

verwijswoord
herhaling
onderwerp
aanwijzer
meervoud
bezit

Deze invuloefening herneemt de kernbegrippen van de eerste uitlegslides.

Waarom gebruiken we verwijswoorden?

Verwacht elementen als: korter, vlotter, minder herhaling, duidelijker voor de lezer. Laat verschillende formuleringen toe en bespreek ze klassikaal.

Persoonlijke voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen vaak naar personen, dieren of zaken.


  • Noor komt te laat. Zij excuseert zich.

  • De hond blaft. Hij hoort iets.

  • Het raam staat open. Het moet dicht.


Kies een vorm die past bij het antecedent.

Bespreek dat grammaticaal geslacht en getal richting geven: enkelvoud/meervoud en de- of het-woorden kunnen mee bepalend zijn.

Bezittelijke voornaamwoorden

Bezittelijke voornaamwoorden tonen van wie iets is.


  • Ik neem mijn turnzak mee.

  • Youssef zoekt zijn agenda.

  • De leerlingen tonen hun toets.


Ook hier moet de verwijzing duidelijk zijn.

Leg uit dat leerlingen vaak focussen op het bezit, maar dat ook hier een duidelijke koppeling met de bezitter nodig is.

Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden wijzen iets aan.


  • Deze map is van de leraar.

  • Dat is niet juist.

  • Ik kies die stoel bij het raam.


Ze helpen om iets aan te duiden of om terug te verwijzen naar iets dat al genoemd is.

Koppel dit aan concrete voorwerpen in de klas als de groep jonger is; bij oudere leerlingen kun je sneller naar tekstverwijzing overschakelen.

Betrekkelijke voornaamwoorden

Betrekkelijke voornaamwoorden verbinden twee zinsdelen.


  • De leerling die wint, krijgt een boek.

  • Het huiswerk dat je maakte, is verbeterd.

  • De leerkracht wie ik sprak, gaf extra uitleg.


Ze verwijzen terug én verbinden tegelijk.

In Belgisch-Nederlands komen verschillende formuleringen voor; focus hier op herkenning en functie in de zin.

Hoe kies je het juiste verwijswoord?

Let op drie zaken:


  • Naar wie of wat wordt er verwezen?

  • Is het enkelvoud of meervoud?

  • Past het verwijswoord qua betekenis en vorm?


Voorbeeld:

De kinderen spelen buiten. Zij lachen luid.


Zij past bij de kinderen omdat het meervoud is.

Maak het beslissingsproces expliciet: eerst antecedent zoeken, dan pas het verwijswoord beoordelen.

Welk verwijswoord past bij: De leerlingen tonen ... toets.

A

haar

B

hun

C

zijn

D

mijn

De juiste keuze is meervoud en verwijst naar de bezitter: de leerlingen.

Kies de passende verwijswoorden

Noor komt te laat. Zij excuseert zich. Lars zoekt zijn agenda. De leerling die wint, krijgt een boek. Het huiswerk dat je maakte, is verbeterd.

Zij
zijn
die
dat
hun
haar
deze
het

Hier worden persoonlijke, bezittelijke en betrekkelijke verwijswoorden gemengd, zodat leerlingen het verschil functioneel toepassen.

Wat helpt jou het meest om juist te kiezen?

1

zoeken naar wie of wat verwezen wordt

2

getal controleren

3

betekenis bekijken

4

hardop lezen

Deze slide heeft geen instructies

Duidelijke verwijzing

Een verwijswoord werkt alleen goed als meteen duidelijk is waarnaar het verwijst.


  • Lina sprak met Emma toen ze vertrok.

  • Wie vertrok hier?


Als de verwijzing onduidelijk is, moet je de zin herschrijven.

Dit is een belangrijk inzicht: niet elke grammaticaal juiste zin is ook helder. Laat eventueel mondeling twee mogelijke lezingen horen.

Onduidelijkheid oplossen

Je kunt onduidelijke verwijzingen oplossen door:


  • te herhalen naar wie of wat verwezen wordt

  • de zin anders te bouwen

  • een preciezer verwijswoord te kiezen


Voorbeeld:

Lina vertrok nadat ze met Emma sprak.


Nu is duidelijker dat Lina vertrok.

Benadruk dat herschrijven soms beter is dan koste wat kost een verwijswoord gebruiken.

Verwijswoorden in schooltaal

In instructies, toetsen en handboeken komen veel verwijswoorden voor.


  • Lees de tekst en beantwoord de vragen. Schrijf ze volledig op.

  • Zoek het antwoord en noteer het in je schrift.


Wie verwijswoorden goed begrijpt, begrijpt teksten vaak sneller.

Leg de link met functionele taalvaardigheid: dit onderwerp helpt niet alleen bij schrijven, maar ook bij lezen en opdrachten begrijpen.

Voorbeelden uit de Vlaamse context

  • De klas gaat op uitstap naar Gent. Ze vertrekt om 8 uur.

  • De juf deelt de toetsen uit. Die moeten vandaag mee naar huis.

  • Het rapport is klaar. Het ligt in de boekentas.

Door herkenbare schoolcontexten blijven voorbeelden concreet voor zowel lager als secundair onderwijs.

Veelgemaakte fouten

Typische problemen zijn:


  • een verwijswoord zonder duidelijk antecedent

  • een fout in enkelvoud of meervoud

  • een zin waarin die, dat, het of ze naar meerdere dingen kunnen verwijzen


Controleer altijd of de lezer meteen begrijpt wat je bedoelt.

Laat de leerlingen tijdens de les telkens verwoorden waarom een verwijzing wel of niet duidelijk is; dat ondersteunt het leerdoel.

Van herkennen naar gebruiken

Goed taalgebruik verloopt in stappen:


zien naar wie of wat verwezen wordt → passend verwijswoord kiezen → controleren of de zin duidelijk blijft


Wie die drie stappen toepast, kan verwijswoorden niet alleen vinden, maar ook bewust gebruiken in eigen zinnen.

Deze slide vat de kern van de les samen en bereidt voor op verdere toepassing in oefeningen of schrijfopdrachten.

Waarom is 'Lina sprak met Emma toen ze vertrok' onduidelijk?

A

geen werkwoord

B

twee antecedenten

C

fout verwijswoord

D

geen onderwerp

'Ze' kan naar Lina of Emma verwijzen. De zin is grammaticaal mogelijk, maar niet helder.

Maak de schooltaal duidelijk

Lees de tekst en beantwoord de vragen. Schrijf ze volledig op. Zoek het antwoord en noteer het in je schrift. Controleer altijd of het verwijswoord duidelijk verwijst naar een woordgroep of woord, anders moet je de zin herschrijven.

ze
het
herschrijven
die
dat
verbinden
bezitter

Deze oefening koppelt verwijswoorden aan schooltaal en aan het oplossen van onduidelijke verwijzingen.

Hoe herschrijf je die onduidelijke zin?

Verwacht een herschreven zin waarin duidelijk is wie vertrekt, bijvoorbeeld door het antecedent te herhalen of de zinsbouw aan te passen.

Wat neem jij mee uit deze les?

Laat leerlingen kort benoemen wat is blijven hangen: antecedent, soorten verwijswoorden, duidelijkheid, herschrijven...

Wat hielp jou het best om dit te begrijpen?

Mogelijke elementen: antecedent zoeken, voorbeelden, invuloefeningen, klassikale bespreking, schoolvoorbeelden.

Wat vond je vandaag nog moeilijk?

Laat leerlingen eerlijk reflecteren op moeilijkheden, zoals die/dat, onduidelijke verwijzingen of meervoud/enkelvoud.

Begrippenlijst

verwijswoord - woord dat verwijst naar een eerder genoemd woord of een woordgroep

persoonlijk voornaamwoord - verwijswoord zoals hij, zij, het of wij

bezittelijk voornaamwoord - verwijswoord dat bezit aanduidt, zoals mijn, zijn of hun

aanwijzend voornaamwoord - verwijswoord dat iets aanduidt, zoals deze, die, dit of dat

betrekkelijk voornaamwoord - verwijswoord dat terugverwijst en zinsdelen verbindt, zoals die of dat

duidelijke verwijzing - een verwijzing waarbij meteen helder is waarnaar het woord verwijst

Deze slide heeft geen instructies