Cellen en organisatieniveaus (Biologie vmbo), les 3: Terugblik quiz

CELLEN · ORGANISATIENIVEAUS

Quiz

Terugblik: Cellen en organisatieniveaus

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met elf vragen over levenskenmerken, celdelen, verbranding en fotosynthese, weefsel, orgaan en orgaanstelsel en de organisatieniveaus.

Onderdelen in deze les

CELLEN · ORGANISATIENIVEAUS

Quiz

Terugblik: Cellen en organisatieniveaus

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Juan Carlos Fonseca Mata / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een kikker legt eitjes in een sloot. Welk levenskenmerk is dit?

A

Voortplanting

B

Groei en ontwikkeling

C

Reageren op prikkels

D

Stofwisseling

Eitjes leggen is voortplanting. Verwachte fout: groei en ontwikkeling, omdat uit de eitjes later kikkers groeien.

Vul in

Een cel heeft een celmembraan en cytoplasma. De celkern stuurt de cel aan.

celmembraan
cytoplasma
celkern
celwand
vacuole

Celmembraan en cytoplasma zijn bij alle cellen aanwezig. Let op: bacteriecellen hebben geen celkern, dit gaat hier om de kern als celdeel.

In welk celdeel slaat een plantencel celvocht op?

A

Celkern

B

Vacuole

C

Bladgroenkorrel

D

Celmembraan

In de vacuole zit celvocht met opgeslagen water en andere stoffen. Verwachte fout: celkern kiezen.

Waarom is verbranding belangrijk voor een organisme?

A

Het maakt bladgroen aan

B

Het levert zuurstof aan de lucht

C

Het maakt de celwand dikker

D

Het levert energie voor de cellen

Bij verbranding komt energie vrij die cellen gebruiken. Verwachte fout: zuurstof aan de lucht, dat is fotosynthese.

Welk gas komt vrij bij fotosynthese?

A

Zuurstof

B

Koolstofdioxide

C

Stikstof

D

Waterstof

Bij fotosynthese ontstaan glucose en zuurstof. Verwachte fout: koolstofdioxide, dat gebruikt een plant juist.

Zet op volgorde, van klein naar groot

1

Cel

2

Organisme

3

Orgaan

4

Weefsel

5

Orgaanstelsel

Een orgaan bestaat uit weefsels en een orgaanstelsel uit organen. Verwachte fout: orgaan en orgaanstelsel omdraaien.

Wat is een weefsel?

A

Een groep organen die samenwerken

B

Een cel met meerdere kernen

C

Een groep aaneengesloten cellen met gelijke vorm en functie

D

Een groep cellen met allemaal een andere functie

Weefsel: gelijke vorm en functie, vaak met tussencelstof. Verwachte fout: weefsel en orgaan verwarren.

Vul in

Een orgaan bestaat uit meerdere typen weefsel. Een orgaanstelsel is opgebouwd uit meerdere organen.

weefsel
orgaanstelsel
cellen
organisme

Orgaan: meerdere typen weefsel. Orgaanstelsel: meerdere organen. Verwachte fout: cellen invullen bij het eerste gat.

Bij welk orgaanstelsel horen de hersenen?

A

Zintuigstelsel

B

Hormoonstelsel

C

Zenuwstelsel

D

Spierstelsel

De hersenen en het ruggenmerg horen bij het zenuwstelsel. Verwachte fout: zintuigstelsel kiezen.

Noem twee orgaanstelsels van de mens.

Goed: twee van verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, bottenstelsel, zenuwstelsel, zintuigstelsel, voortplantingsstelsel, ademhalingsstelsel, spierstelsel, hormoonstelsel, uitscheidingsstelsel. Verwachte fout: organen noemen, zoals hart of long.

Je rent en gaat sneller ademen. Wat laat dit zien?

A

Processen in je lichaam werken samen als een geheel

B

Alleen je longen reageren op het rennen

C

Ademhaling staat los van de rest van je lichaam

D

Je organen werken om de beurt

Een organisme is een geheel: ademhaling, bloedsomloop en spieren passen zich samen aan. Verwachte fout: denken dat alleen de longen reageren.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

CELLEN · ORGANISATIENIVEAUS

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kent nu de levenskenmerken, de delen van een cel en de organisatieniveaus van cel tot organisme.

Deze slide heeft geen instructies