In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 90 min
Onderdelen in deze les
LAATSTE AFP LES OOIT!!!!?
Slide 1 - Tekstslide
Het moment waarvan je wist dat het zou komen
Na 4 jaar AFP zit het er na deze les op!
Na deze les is het jullie verantwoordelijkheid om je kennis op peil te houden, te vergroten en te verdiepen.
Slide 2 - Tekstslide
Welk van onderstaande organen ligt in de bekkenholte?
A
de galblaas
B
de blinde darm
C
de Blaas
D
de Nieren
Slide 3 - Quizvraag
Waar ligt de schildklier?
A
Laag in de hals, aan de voorzijde
B
In het hoofd, vlak onder de hersenen
C
Tegen de achterkant van de buikholte, naast de alvleesklier
D
D. Bovenkant, borstholte, voor de longen
Slide 4 - Quizvraag
Wat is, bij elkaar opgeteld, de beste omschrijving van de functie van het hormoonstelsel?
A
stoffen maken en afgeven aan het bloed die helpen bij de vertering
B
stoffen maken die ervoor zorgen dat iemand groeit en vruchtbaar is
C
stoffen maken die ervoor zorgen dat de organen zullen reageren op emoties/spanning
D
stoffen maken en afgeven aan het bloed, die verderop de werking van organen regelen
Slide 5 - Quizvraag
Wat zijn slagaders?
A
bloedvaten die bloed terugbrengen naar het hart
B
bloedvaten met zuurstofarm bloed
C
een verzamelnaam voor alle bloedvaten die macroscopisch in het lichaam te zien zijn
D
bloedvaten die bloed van het hart weg voeren en naar de organen toe vervoeren
Slide 6 - Quizvraag
Wat is de taak van witte bloedcellen?
A
Stolling
B
02 vervoeren
C
Onderdeel afweer
D
Rode bloedcellen beschermen
Slide 7 - Quizvraag
Welke uitspraak over de rechterkamer is waar?
A
het bloed in de rechterkamer is net in de longen geweest en gaat nu de aorta in
B
het bloed in de rechterkamer is net in de longen geweest en gaat nu naar de rechter boezem
C
het bloed in de rechterkamer is net terug uit het lichaam en gaat nu naar de rechterboezem
D
het bloed in de rechterkamer is net terug uit het lichaam en gaat nu naar de longen
Slide 8 - Quizvraag
Wat is een infectie?
A
een micro-organisme vermenigvuldigt zich in je lichaam
B
de afweer heeft het micro-organisme ontdekt
C
de afweer is druk bezig om het micro-organisme te bestrijden
D
er is een micro-organisme op je huid of in je lichaam terecht gekomen
Slide 9 - Quizvraag
Wat heeft een virus nodig om zich te kunnen vermenigvuldigen?
A
een levende cel om in te kruipen
B
slijm om te verteren
C
lymfeklieren om goed beschermd te zijn
D
bacteriën die hem onzichtbaar maken voor de afweer
Slide 10 - Quizvraag
Wat is immuniteit?
A
je kunt niet meer besmet raken
B
je kunt niet tegen een antibioticum
C
je hebt antistoffen tegen een micro-organisme
D
een antibioticum werkt niet meer tegen een micro-organisme
Slide 11 - Quizvraag
Wat is een druppelbesmetting?
A
Via de lucht
B
Via druppels op de huid
C
Via orale innamen feces
D
Via bloeddruppels
Slide 12 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van actieve kunstmatige immunisatie?
A
Het doormaken van een ziekte
B
Het gebruiken van antibiotica een antibiotica kuur
C
Het toedienen van een vaccinatie
D
Het toedienen van antistoffen
Slide 13 - Quizvraag
Wat is de belangrijkst functie van het urinewegstelsel?
Slide 14 - Open vraag
Wat doet een axon?
A
prikkels maken
B
prikkels opvangen
C
prikkels vervoeren
D
alles wat hierboven staat
Slide 15 - Quizvraag
Van welk onderdeel van het oog maken de staafjes en kegeltjes deel uit?
A
in het netvlies
B
in het hoornvlies
C
in het glasachtig lichaam
D
in het regenboogvlies
Slide 16 - Quizvraag
Je bent in de huiskamer van je stageplek en daar zit Mw Pieterse aan tafel haar warme maaltijd te eten. Je vindt het heel vreemd dat ze maar de helft van haar bord leeg eet. Hoe zou je dit kunnen verklaren?
A
Mw heeft last van hemiparese
B
Mw heeft last van kokervisie
C
Mw heeft last van hemianopsie
D
Mw heeft last van agnosie
Slide 17 - Quizvraag
Iemand heeft een longontsteking. De zuurstofopname is zo gedaald dat iemand daardoor een beschadiging krijgt van de hartspier. Hoe noemen/beschrijven we de beschadiging van de hartspier?
A
een symptoom
B
een exacerbatie
C
een complicatie
D
een recidief
Slide 18 - Quizvraag
Wat zit er in pus?
A
dode cellen
B
dode bacteriën
C
levende bacteriën
D
alle drie de bovenstaande zijn goed
Slide 19 - Quizvraag
Wat is een oorzaak van parkinsonisme?
A
bijwerking van medicijnen tegen psychose
B
bijwerking van bètablokkers
C
diabetes mellitus
D
depressie
Slide 20 - Quizvraag
Welke factor zorgt ervoor dat er voorurine wordt gemaakt?
A
de hoeveelheid afval in het plasma
B
het zuurstofgehalte van het bloed
C
de pH van het plasma
D
de arteriële bloeddruk
Slide 21 - Quizvraag
Wat is de werking van aldosteron in de nieren?
A
er wordt meer kalium terug geresorbeerd
B
er wordt meer natrium terug geresorbeerd
C
er vindt excretie plaat van waterstofionen
D
er vindt excretie plaats van bicarbonaat
Slide 22 - Quizvraag
Welke invloed heeft erytropoetine op het beenmerg?
A
de aanmaak van rode bloedcellen stimuleren
B
de aanmaak van witte bloedcellen stimuleren
C
de aanmaak van witte bloedcellen stimuleren
D
de aanmaak van alle bloedcellen stimuleren
Slide 23 - Quizvraag
Wat is de voornaamste reden voor de vermoeidheid bij nierfalen?
A
de te lage bloeddruk als gevolg van het nierfalen
B
de verstoring van het 24-uursritme door het ontbreken van belangrijke hormonen
C
de extra energie die de nieren verbruiken om het bloed schoon te houden
D
de vervuiling van het bloed door het achterblijven van teveel afval
Slide 24 - Quizvraag
Wat is een oorzaak van prerenaal nierfalen?
A
dehydratie
B
hypoglycemie
C
totale urineretentie
D
nierbekkenontsteking
Slide 25 - Quizvraag
Wat is het effect van angiotensine II?
A
het verhoogt de perifere vaatweerstand
B
het maakt haarvaatjes en aders wijder
C
het maakt de kransslagader wijder
D
het laat de nierslagader verkrampen
Slide 26 - Quizvraag
Aan welke specifieke aandoening denk je bij de combinatie: misselijkheid, scherpe pijn, spierverzet, vervoerspijn en in eerste instantie pijnklachten rondom navel?
Slide 27 - Open vraag
Wat is het resultaat van een geslaagde mitose?
A
twee nieuwe cellen met precies hetzelfde DNA als de oorspronkelijke cel
B
twee nieuwe cellen met allebei precies de helft van het DNA uit de oorspronkelijke cel
C
Naast de oude cel, één nieuwe cel ,die identiek is aan de oude cel
D
twee nieuwe cellen, één is dezelfde gebleven en de andere is gemuteerd
Slide 28 - Quizvraag
Wat is een gevaarlijke complicatie bij een acute pancreatitis?
A
peritonitis met shock
B
inwendige slagaderlijke bloeding
C
darmafsluiting met ileus
D
uitgebreide trombose met embolie naar de lever
Slide 29 - Quizvraag
Wanneer spreekt men van een lymfogene metastase?
A
als kwaadaardige cellen in een lymfeklier terecht zijn gekomen
B
als een kwaadaardig gezwel ontstaan is in een lymfeklier
C
als een uitzaaiing in een orgaan zijn eigen lymfesysteem heeft aangelegd
D
als lymfocyten om het gezwel heen ook kwaadaardig zijn geworden
Slide 30 - Quizvraag
Op welk moment komt er het meeste zuurstof in de hartspier?
A
tijdens de diastole
B
tijdens de systole
C
tijdens de diastole en de systole evenveel
D
daar kun je niets van zeggen, dat ligt aan allerlei andere omstandigheden
Slide 31 - Quizvraag
Wat doen nitroglycerinepreparaten?
A
ze lossen verkalking op en maken de kransslagader daardoor wijder
B
ze verbeteren in de longen de zuurstofopname in het bloed
C
ze verbeteren de kracht waarmee de hartspier aanspant
D
ze verwijden de bloedvaten in het lichaam, zodat er even minder bloed terugstroomt naar het hart
Slide 32 - Quizvraag
Welk deel van een gewricht geneest het slechtst?
A
het botweefsel
B
de gewrichtsbanden
C
het gewrichtskraakbeen
D
ze genezen alle drie even slecht
Slide 33 - Quizvraag
Wat voor soort ziekte is reumatoïde artritis?
A
een voedingstekort (deficiëntie)
B
een chronische infectie
C
een auto-immuunziekte
D
een erfelijke ziekte
Slide 34 - Quizvraag
Wat is vooral een gevaar van de medicatie die vaak wordt gebruikt om reumatoïde artritis af te remmen?
A
infecties en sepsis
B
allergische reactie
C
verhoogde stolling
D
nierstenen
Slide 35 - Quizvraag
Wat is een zinvolle maatregel bij iemand met shock-verschijnselen?
A
de patiënt laten drinken
B
de patiënt rechtop zetten
C
de patiënt opwarmen
D
de patiënt plat laten liggen
Slide 36 - Quizvraag
Dhr. Everts gebruikt sinds drie dagen antibiotica. Dhr. heeft vandaag waterdunne ontlasting. Leg uit hoe dit ontstaat en wat hier de gevaren van zijn.