cross

5.2 B3 Lezen: Mening, argument en conclusie

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 51
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlandsvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 51 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL


- je weet (nog) wat signaalwoorden zijn
- je weet (nog) wat een feit is 
- je weet (nog) wat een mening (standpunt) is 
- je weet (nog) wat een argument (reden) is 
- je weet wat een conclusie is
Met behulp van signaalwoorden meningen, argumenten en conclusies in een tekst herkennen

Slide 2 - Tekstslide

Doe oortjes in

en bekijk het volgende filmpje!

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

FEIT

- Uitspraak over iets wat waar of niet waar is

- Een feit kan je controleren



Voorbeeld van een feit:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.

Je kunt controleren of dit waar is door in de krant te kijken of het op internet op te zoeken.

Slide 5 - Tekstslide

MENING (STANDPUNT)

- Wat iemand ergens van vindt

Het is niet controleerbaar

-Je kunt het eens of oneens zijn

- signaalwoorden: ik vind, volgens mij, naar mijn mening...


Voorbeeld van een mening (standpunt):

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen.

Slide 6 - Tekstslide

ARGUMENT (REDEN)

- Een argument is een uitleg waarmee je een mening verdedigt.

- Signaalwoorden: want, namelijk, omdat, immers...



Voorbeeld van een argument (reden):

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening), want dan leren zij met geld omgaan (argument).

Slide 7 - Tekstslide

CONCLUSIE

- Als alle argumenten (redenen) zijn gegeven, kan er een conclusie volgen.

- Korte herhaling van meningen en argumenten.

-Signaalwoorden: dus, concluderend, dat betekent...



Voorbeeld van een conclusie:

Het is dus goed dat jongeren kleedgeld krijgen, want dan leren zij met geld omgaan.

Slide 8 - Tekstslide

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 9 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van de tekst?
A
gezond eten
B
gezonde kantine
C
overgewicht bij jongeren
D
pauze op de middelbare school

Slide 10 - Quizvraag

Op welke manier wordt de tekst ingeleid?
A
In de inleiding staat een samenvatting van de tekst
B
In de inleiding vertelt de schrijver een persoonlijke ervaring
C
In de inleiding wordt een belangrijk persoon voorgesteld

Slide 11 - Quizvraag

In welke alinea lees je de mening van de overheid en het voedingscentrum?

Slide 12 - Open vraag

In welke alinea('s) lees je de mening van de schrijver?

Slide 13 - Open vraag

Aan welk signaalwoord herken je de mening van de overheid en het voedingscentrum?

Slide 14 - Open vraag

Welke drie argumenten geven de overheid en het voedingscentrum voor hun mening?

Slide 15 - Open vraag

Wat kun je volgens de tekst kopen in een gezonde kantine?
Noem minstens drie dingen.

Slide 16 - Open vraag

Leg uit waarom de schrijver denkt dat de 'gezonde kantine' er niet voor gaat zorgen dat jongeren gezonder gaan eten.

Slide 17 - Open vraag

Welk signaalwoord voor tegenstelling staat in alinea 4?

Slide 18 - Open vraag

Welke conclusie trekt de schrijver?

Slide 19 - Open vraag

Wat werkt volgens de schrijver wel om jongeren gezond te laten eten? Zoek je antwoord in alinea 5.

Slide 20 - Open vraag

Wat staan er in tekst 4?
A
Vooral feiten
B
Vooral meningen
C
Zowel feiten als meningen

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het doel van de tekst?
A
Adviseren
B
Informeren
C
Overtuigen
D
Tot handelen aanzetten

Slide 22 - Quizvraag

Wat betekent
gezondigd
in alinea 1?
A
behoorlijk
B
iets gegeten wat niet goed voor me was
C
gevoel
D
slecht geluisterd

Slide 23 - Quizvraag

Wat betekent
redelijk
in alinea 1?
A
behoorlijk
B
plan
C
gevoel
D
slecht geluisterd

Slide 24 - Quizvraag

Wat betekent
initiatief
in alinea 4?
A
proef
B
plan
C
gevoel
D
niet meer toestaan

Slide 25 - Quizvraag

Wat betekent
verbannen
in alinea 4?
A
proef
B
plan
C
gevoel
D
niet meer toestaan

Slide 26 - Quizvraag

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 27 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van de tekst?
A
Vivera
B
Natuur & Milieu
C
Wereldwijde voedselverdeling
D
Flexitariër

Slide 28 - Quizvraag

Wat voor soort tekst is de tekst?
A
advertentie
B
nieuwsbericht
C
reactie op een website

Slide 29 - Quizvraag

Wat is een flexitariër?

Slide 30 - Open vraag

Hoe wordt het onderwerp in de tekst ingeleid?
A
met een aanleiding voor het schrijven van de tekst
B
met de mening van een deskundige
C
met een korte samenvatting van de tekst

Slide 31 - Quizvraag

Wat wil Natuur & Milieu bereiken met de campagne?

Slide 32 - Open vraag

Wat is de mening van Natuur & Milieu over de toename van het aantal felexitariërs?

Slide 33 - Open vraag

In alinea 2 staat dat het goed is om niet alle dagen vlees te eten. Welke drie argumenten worden daarbij genoemd?

Slide 34 - Open vraag

Welk argument staat in alinea 3 voor de mening van Natuur & Milieu?

Slide 35 - Open vraag

Waarom heeft een vleesloze dag in Nederland ook positieve gevolgen elders in de wereld?

Slide 36 - Open vraag

In alinea 4 staat een vergelijking. Noteer deze in eigen woorden.

Slide 37 - Open vraag

Waarom is het eten van minder vlees een simpele manier om milieubewust bezig te zijn?
Gebruik niet meer dan 15 woorden in je antwoord.

Slide 38 - Open vraag

Wat is het doel van de campagne van Natuur & Milieu?
A
je informeren over de campagne
B
je instrueren hoe je milieubewust kunt worden
C
je overhalen hoe je flexitariër kunt worden

Slide 39 - Quizvraag

Wat is het doel de tekst?
A
adviseren
B
informeren
C
overhalen

Slide 40 - Quizvraag

Wat betekent
campagne
in alinea 1?
A
een andere mogelijkheid
B
gezondheid
C
grote actie voor een bepaald doel
D
pilot

Slide 41 - Quizvraag

Wat betekent
alternatief
in alinea 1?
A
een andere mogelijkheid
B
gezondheid
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 42 - Quizvraag

Wat betekent
welzijn
in alinea 2?
A
pas geleden
B
gezondheid
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 43 - Quizvraag

Wat betekent
overmatige
in alinea 3?
A
pas geleden
B
te veel
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 44 - Quizvraag

Wat betekent
elders
in alinea 3?
A
pas geleden
B
proef
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 45 - Quizvraag

Wat betekent
recentelijk
in alinea 4?
A
pas geleden
B
behoorlijk
C
eten
D
in de toekomst

Slide 46 - Quizvraag

Wat betekent
nuttigen
in alinea 4?
A
nodig zijn
B
behoorlijk
C
eten
D
in de toekomst

Slide 47 - Quizvraag

GELEERD?


- je weet (nog) wat signaalwoorden zijn
- je weet (nog) wat een feit is 
- je weet (nog) wat een mening (standpunt) is 
- je weet (nog) wat een argument (reden) is 
- je weet wat een conclusie is
Met behulp van signaalwoorden meningen, argumenten en conclusies in een tekst herkennen

Slide 48 - Tekstslide

Schrijf één ding op wat je deze les hebt geleerd en niet meer vergeet.

Slide 49 - Open vraag

Stel één vraag over iets dat je nog niet zo goed
hebt begrepen.

Slide 50 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 51 - Tekstslide