Les 3 Elektriciteit en automatisering

Les 3 Elektriciteit en automatisering
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Les 3 Elektriciteit en automatisering

Slide 1 - Tekstslide

Vermogen
Elektriciteit is het stromen van elektronen. De energie van de stroom van elektronen kun je gebruiken om apparaten te laten werken net zoals je een waterrad kunt laten werken op de stroming van de rivier. Wat het water van de rivier kan, hangt af van de hoeveelheid water en het hoogteverschil in de rivier. Wat je met elektriciteit kan, hangt af van de stroomsterkte en de spanning. Deze bepalen het vermogen van de elektriciteit.

Slide 2 - Tekstslide

Vermogen
Hoeveel elektrische energie een apparaat per seconde verbruikt, noem je het vermogen. De afkorting voor vermogen is de hoofdletter P van het Engelse woord voor vermogen, power. Een eenheid van vermogen is joule per seconde (J/s). Een andere eenheid is de watt
(W). Hierbij geldt dat 1 W evenveel is als 1 J/s. 

Slide 3 - Tekstslide

Vermogen - typeplaatje
Een typeplaatje vind je vaak achterop of onderop een elektrisch apparaat.Op het typeplaatje vind je het vermogen van een apparaat.
Het vermogen geeft ook aan wat een apparaat kan. Met een boormachine van 300 watt zal je niet zo makkelijk een gat boren als met een boormachine van 800 watt. Apparaten met een hoger vermogen kunnen meer maar gebruiken ook meer elektrische energie. Hoe groter het vermogen van een apparaat, hoe meer het apparaat kost om het te gebruiken.
Het vermogen van een apparaat staat altijd op het typeplaatje.

Slide 4 - Tekstslide

Vermogen berekenen

Slide 5 - Tekstslide

0,2 kW =
A
0,0002 W
B
2 W
C
200 W
D
2000 W

Slide 6 - Quizvraag

500 W =
A
500000 kW
B
5000 kW
C
5 kW
D
0,5 kW

Slide 7 - Quizvraag

Symbool voor de grootheid vermogen
A
W
B
U
C
P
D
R

Slide 8 - Quizvraag

Een gloeilamp heeft een vermogen van 60 W. Door de lamp loopt een stroomsterkte van 5 A. Op welke spanning is de lamp aangesloten?
A
300 V
B
12 V
C
0,08 V

Slide 9 - Quizvraag

Een strijkijzer werkt op een netspanning van 230 volt. Het typeplaatje van het strijkijzer staat hiernaast. Hoe groot is de stroomsterkte door het strijkijzer?
A
60 Hz
B
800 W
C
3,5 A
D
0,3 A

Slide 10 - Quizvraag

Een gloeilamp wordt aangesloten op een spanning van 24 V, de stroomsterkte door de lamp is 5 A. Wat is het vermogen van de lamp?
A
120 W
B
4,8 W
C
0,2 W

Slide 11 - Quizvraag

Opdracht
  • Neem de volgende 3 pagina als aantekening over.

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

De prijs van energie berekenen
Een wasdroger heeft een vermogen van 2000 W.
De droger staat 2,5 uur aan. De prijs van 1 kWh is 22 eurocent.

a. bereken het energie verbruik.
b. Bereken de kosten van dit verbruik. 

Slide 16 - Tekstslide

De prijs van energie berekenen
Een wasdroger heeft een vermogen van 2000 W.
De droger staat 2,5 uur aan. De prijs van 1 kWh is 22 eurocent.
a. bereken het energie verbruik.
gegevens: P = 2000 W = 2000 : 1000 = 2 kW
                       t = 2,5 h
gevraagd:  E
formule:     E = P x t
oplossing: E = 2 x 2,5 = 5 kWh

b. Bereken de kosten van dit verbruik. 

Slide 17 - Tekstslide

De prijs van energie berekenen
Een wasdroger heeft een vermogen van 2000 W.
De droger staat 2,5 uur aan. De prijs van 1 kWh is 22 eurocent.
a. bereken de kosten van dit verbruik

1 kWh kost 22 eurocent = 0,22 euro
5 kWh kost dus 5 X 0,22 = 1,10 euro

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht
  • Werk de volgende opdracht netjes in je schrift uit.
  • Denk aan "gegevens, gevraagd, formule, berekening, antwoord met eenheid"! 

Slide 19 - Tekstslide

Blender




Deze blender staat een halve minuut aan.

  1. Hoeveel elektrische energie in Joule heeft deze gebruikt?
  2. Hoeveel elektrische energie in kWh heeft deze gebruikt?
  3. Hoe groot was de stroomsterkte toen de blender aanstond





Slide 20 - Tekstslide